De prijs van ongelijkheid

peoplevsbankerNancy Salgado, een boze medewerkster van McDonalds, vroeg afgelopen najaar aan de president van McDonalds USA Jeffrey Stratton hoe zij als moeder van twee kinderen in hemelsnaam rond moest komen van 8,25 dollar per uur. Ze had in de tien jaar dat ze voor het bedrijf werkte nog nooit een salarisverhoging gehad. Stratton, die de hoofdspreker was bij een bijeenkomst van de Union League Club of Chicago waar Salgado met haar collega’s protesteerde, verdient minstens 1200 dollar per uur. Hij negeerde de vrouw vijf minuten en vertelde de bezorgde moeder daarna met superieure neerbuigendheid dat hij al veertig jaar bij het bedrijf werkte, waarmee hij eigenlijk zei: ‘als je niet klaagt, kan je over dertig jaar net zo veel verdienen als ik’. De boze vrouw werd vervolgens het gebouw uitgewerkt, waarna ze een uur werd vastgehouden door de politie en te horen kreeg dat ze misschien gearresteerd zou worden. Ze kwam er vanaf met een waarschuwing.

Het het onbegrip waarop Salgado stuitte en het enorme verschil in beloning tussen haar en haar baas zijn symptomen van groeiende sociaaleconomische ongelijkheid die in de V.S. zorgwekkende proporties begint aan te nemen. Salgado en Stratton leven bijna letterlijk in twee verschillende werelden. De kloof die hen scheid wordt dieper en breder omdat het politieke systeem in de V.S. steeds gebrekkiger functioneert. De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz publiceerde in 2012 The price of inequality waarin hij uitlegt hoe het zo ver heeft kunnen komen en wat er aan gedaan kan worden.

Business as usual

Stiglitz is een tegendraadse econoom en een fel criticus van de westerse aanpak van de recente crises. Ook de manier waarop de globalisering is vormgegeven door westerse landen wordt door hem afgewezen. Het economisch Gouden Kalf van onze tijd, de notie van efficiënte markten en onbeperkte economische groei, mag een aantal butsen hebben opgelopen – tot een fundamentele herwaardering van het economische systeem heeft het niet geleid. Overheden hebben na de schok van 2008 geprobeerd om zo snel mogelijk weer terug te keren naar ‘business as usual’. Veel verder dan halfslachtige pogingen om de excessen van de markt te reguleren is men niet gekomen.

Stiglitz’ boek beperkt zich voornamelijk tot de V.S. maar biedt ook voor lezers buiten de V.S. interessante inzichten. De inkomensongelijkheid is in de V.S. groter dan in andere westerse landen, maar feit blijft dat bijna overal in de westerse wereld de inkomensongelijkheid groeit en er een maatschappelijke tweedeling dreigt te ontstaan tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’. Het naoorlogse economische succes was tientallen jaren gefundeerd op een gematigd kapitalisme waar de verschillen tussen arm en rijk niet bijzonder groot waren. Maar begin jaren tachtig ging het roer om en werden noties als sociale rechtvaardigheid en solidariteit bij het grofvuil gezet.

Toegegeven, er was goede reden om het systeem op de schop te nemen aangezien het in de jaren zeventig volledig vast liep en overheden met enorme begrotingstekorten kampten. Keynes werd ingeruild voor een meer vrije markt en dat leek in eerste instantie een goed idee. Maar sinds het uitbreken van de kredietcrisis is duidelijk geworden dat markten een gevaar vormen voor de samenleving. Een belangrijke reden hiervoor is dat de markt vaak niet goed functioneert. Markten zijn in Stiglitz’ ogen een prachtig platform om goederen en diensten aan te bieden en af te nemen. Maar de inherente balans die door de klassieke economische orthodoxie aan markten wordt toegeschreven is ver te zoeken. Macht is ook op markten een belangrijke factor. Ondernemingen zijn zo groot geworden dat zij vaak, direct en indirect, een even grote invloed hebben op de levens van individuen als overheden. Waar de overheid vroeger de markt in het gareel hield, hebben multinationals nu een dikke vinger in de pap bij de totstandkoming van wetgeving. Het ligt voor de hand dat die wetgeving daarmee niet het publieke belang dient, maar het belang van de aandeelhouders van dat bedrijf. In een wereld waarin, in de V.S. althans, de zogenaamde tegenkrachten zoals vakbonden geen factor van betekenis meer zijn, betekent dit dat de gemiddelde burger grotendeels overgeleverd is aan de grillen van het bedrijfsleven. De V.S. vervreemden daardoor volgens Stiglitz in rap tempo van haar eigen waarden.

De teloorgang van de Amerikaanse Droom

American DreamVolgens Stiglitz is de Amerikaanse Droom een treffende benaming voor een ideaal dat in toenemende mate berust op een illusie. The price of inequality is doorspekt met deprimerende cijfers en onderzoek dat aantoont dat veel overheidsbeleid het publieke belang niet langer dient. Sinds de jaren tachtig is de sociale mobiliteit in de V.S. afgenomen en zijn de reële modale inkomens gedaald terwijl de topinkomens gemiddeld verzesvoudigden. Steeds meer Amerikanen (zo’n 15 procent) leven onder de armoedegrens. Veel afgestudeerden kunnen na hun studie geen baan vinden omdat geprivatiseerde universiteiten belabberd onderwijs aanbieden. Vaak zijn zij de rest van hun leven bezig hun enorme studieschulden af te betalen met het minimumloon dat zij verdienen. De zorgkosten zijn in de V.S. per hoofd van de bevolking gemiddeld twee keer zo hoog als in andere ontwikkelde landen zoals bijvoorbeeld Frankrijk of Nederland, terwijl deze tot voor kort niet universeel toegankelijk was en de kwaliteit ervan te wensen over laat. Toch is het bruto nationaal product van de V.S. is in deze periode bijna verdubbeld.

Waar is al die welvaart terecht gekomen? Stiglitz’ antwoord: bij de rijkste een procent van de Amerikanen (Stiglitz heeft de term the one percent gemunt in een artikel in Vanity Fair vlak voor de Occupy beweging startte). Onder deze groep vallen CEO’s, bankiers en advocaten. Zij hebben de laatste drie decennia een uitzonderlijke machtspositie verworven binnen het politieke en economische systeem van de V.S. en eigenen zich een steeds groter deel van de economische taart toe. Het inkomen van de rijkste tien procent van de Amerikanen bedraagt 226 keer het gemiddelde inkomen van de overige negentig procent. De rijkste een procent van de Amerikanen bezit meer dan een derde van de totale rijkdom van het land.

Stiglitz maakt zich ernstige zorgen over deze ontwikkelingen. Uit talloze studies blijkt dat sociaaleconomische ongelijkheid ontwrichtende maatschappelijke gevolgen heeft. Kindersterfte, geestesziekten, de levensverwachting, sociale mobiliteit: het zijn slechts enkele factoren die negatief beïnvloed worden door ongelijkheid en die ieder individu in een samenleving raken.  We hoeven ons slechts te wenden tot de zogenaamde ‘failed states’ in Afrika om te zien hoe ontwrichtend sociaaleconomische ongelijkheid kan zijn. Deze landen kenmerken zich door een hoog criminaliteitscijfer, corruptie, een gebrek aan sociale cohesie en een falend politiek systeem. De opstanden in Tunesië, Egypte, Syrië en Libië werden voor een belangrijk deel gevoed door de sociaaleconomische ongelijkheid in deze landen, waar een handvol families vrijwel alle macht en rijkdom bezitten. Samenlevingen die een grote sociaaleconomische ongelijkheid kennen, hebben vaak te kampen met lage economische groei. De V.S. zijn geen dictatuur in het Midden Oosten, maar de enorme macht die de Amerikaanse elites hebben en de rappe uitholling van de middenklassen kunnen op lange termijn tot onrust leiden. De ongelijkheid in de V.S. heeft nu al tot gevolg dat de V.S. met een groeiende horde armen, daklozen en werklozen te kampen heeft die er lichamelijk en psychisch vaak slecht aan toe zijn.

Land of the rich, home of the wealthy

Volgens Stiglitz is er een waaier aan oorzaken aan te wijzen voor deze teloorgang van de Amerikaanse Droom. Hij behandelt deze puntsgewijs in zijn boek waarbij hij er goed in slaagt om de feiten voor zich te laten spreken. Met onwrikbare logica toont hij hoe alle factoren in elkaar grijpen. Van onderwijs tot milieuwetgeving en programma’s voor de meest behoeftigen van de maatschappij: keer op keer blijkt hoe groot de kloof is tussen de Amerikaanse elite en het gewone volk, waarbij de laatste groep het moet afleggen tegen de belangen van de eerste. Al deze ontwikkelingen hebben een ding gemeen: ze zijn het resultaat van het politieke proces, niet van abstracte marktkrachten. Ongelijkheid is het product beleid (of het gebrek daar aan) en dit wijst op een disfunctioneel politiek systeem waarin niet de belangen van alle kiezers behartigd worden, maar slechts van diegenen die in staat zijn het politieke proces te beïnvloeden. De V.S. verworden langzaamaan tot een oligarchie, een tragisch lot voor een land dat eens het toonbeeld van een moderne democratie was.

De innige verstrengeling van de politieke en zakelijke elites in de V.S. is de belangrijkste oorzaak voor het disfunctioneren van het politieke systeem. In het algemeen kan gesteld worden dat het moderne aandeelhouderskapitalisme en het publieke belang elkaar wederzijds uitsluiten. Beursgenoteerde ondernemingen richten zich blindelings op het behalen van een zo groot mogelijke winst per kwartaal – het is hun wettelijke opdracht en het kan hen daarom nauwelijks kwalijk genomen worden. Het probleem is dat deze opdracht leidt tot een destructieve dynamiek: ondernemingen zijn geneigd koste wat het kost winst te genereren en bekommeren zich, in tegenstelling tot wat gelikte marketingcampagnes u willen doen geloven, niet echt om de schade die zij aan hun omgeving toebrengen. Die omgeving moet in de breedste zin van het woord gezien worden: zowel het leefmilieu als gemeenschappen en individuen vallen hier onder.

Door de omvang en rijkdom van deze ondernemingen kunnen zij enorme invloed uitoefenen op het politieke proces, mits dit wettelijk is toegestaan. In de V.S. is dit het geval: bedrijven mogen onbeperkt bijdragen aan verkiezingscampagnes en in Washington wemelt het van de lobbyisten die proberen het wetgevende proces in het voordeel van hun cliënten te beïnvloeden. De gewone burger beschikt niet over de middelen om leden van het Congres te beïnvloeden. Zijn belangen worden daarmee veel minder goed behartigd dan die van de ‘moneyed interests’ zoals Stiglitz ze noemt. Er is, aldus Stiglitz, geen sprake van ‘one man one vote’, maar ‘one dollar one vote’.

Deze beïnvloeding wordt door Stiglitz ‘rent seeking’ noemt. Deze term kent geen Nederlandse vertaling, maar betekent zoiets als het najagen van politieke rentes of gunsten. Politieke rente heeft betrekking op de pogingen van private partijen om een groter aandeel te verwerven in de totale welvaart door regelgeving in hun voordeel te veranderen. Politieke rentes zijn een herverdeling van de bestaande welvaart, waarbij diegenen die niet de middelen hebben om het politieke proces te beïnvloeden een kleiner stuk toebedeeld krijgen dan zij hadden.

Er zijn talloze voorbeelden van politieke rentes te bedenken. Bedrijven proberen milieuwetgeving af te zwakken of te laten verwerpen zodat zij geen kostbare maatregelen hoeven te nemen om schoner te produceren. Belastingvoordelen zijn een ander voorbeeld: veel bedrijven proberen fiscale uitzonderingsposities te creëren door wetgeving te beïnvloeden zodat zij hun winsten grotendeels kunnen behouden. De kwaliteit van publieke goederen waar deze bedrijven van afhankelijk zijn, zoals (water)wegen, elektriciteitsnetwerken, telecommunicatie, onderwijs en de handhaving van de rechtsstaat, komt daardoor onder druk te staan. Investeringen in publieke goederen nemen af wat voornamelijk ten nadele komt van de gewone burger.

In principe zou het fenomeen van politieke rentes in een democratische samenleving ondervangen kunnen worden door de overheid. Overheden zijn immers van het volk, door het volk, voor het volk en dienen zich daarom in te zetten voor het publieke goed; dit is in feite hun enige bestaansrecht. In de V.S. is echter een situatie ontstaan waarin de topmannen van bedrijven vaak hoge bestuursfuncties krijgen na hun carrière in de private sector en publieke bestuurders vaak overstappen naar het bedrijfsleven (Citigroup, een van de grootste banken ter wereld, geeft haar werknemers zelfs bonussen als zij hoge posities bij de overheid weten te verwerven). Daarbij zijn Amerikaanse verkiezingskandidaten voor bijvoorbeeld een plek in het Huis van Afgevaardigden of de Senaat grotendeels afhankelijk van de giften van rijke individuen en bedrijven voor hun verkiezingscampagnes. Verkiezingen zijn in de V.S. zo kostbaar geworden dat kandidaten deze niet kunnen winnen zonder deze giften. Dit leidt onherroepelijk tot een vorm van gelegaliseerde corruptie en nepotisme, waarbij veel volksvertegenwoordigers in het belang van de ‘moneyed interests’ stemmen als er wetgeving in stemming wordt gebracht die voor hen van belang is.

Het resultaat van deze praktijken is al zo’n dertig jaar zichtbaar en werd nog veel duidelijker nadat de Amerikaanse economie weer uit het dal van 2008/09 klom. Ondanks de herstelde economische groei is in 2010 niet minder dan 93 procent van de nieuw gecreëerde rijkdom in handen van rijkste een procent van de Amerikanen terecht gekomen. De groep die als collectief de grootste economische slagkracht heeft, de middenklasse, heeft zijn inkomen en bezittingen in waarde zien verminderen. Dit betekent dat hun uitgaven lager zijn, wat de economische groei niet ten goede komt en wat uiteindelijk zelfs de hoogste inkomens zal raken, simpelweg doordat hun inkomens krimpen door de lagere consumentenbestedingen in de V.S. Uiteindelijk verliest iedereen, aldus Stiglitz.

Occupy! Maar waarom eigenlijk?

occupy-wall-street-marchEven leek het erop alsof de Amerikaanse bevolking in opstand zou komen, maar de Occupy beweging die in 2011 in New York startte was geen lang leven beschoren. De beweging werd gevoed door een algemeen gevoel van ongenoegen, maar behalve een roep om hervorming van de financiële sector miste men een visie op het grotere probleem, namelijk de inrichting van het Amerikaanse politieke systeem. Occupy miste een duidelijk doel en had geen daadkrachtige leiders. Bovendien zien veel Amerikanen een grotere rol voor de overheid niet zitten, ondanks het feit dat dit hen op lange termijn een betere kwaliteit van leven kan brengen.

Hoe kan het dat zo veel Amerikanen, van wie we mogen aannemen dat zij een gemiddelde intelligentie bezitten, er niet in slagen hun belangen duidelijk te formuleren, laat staan deze te behartigen? Volgens Stiglitz is dit het resultaat van een ideeënstrijd die in de V.S. woedt en die tot een aantal algemeen geaccepteerde aannames heeft geleid, die niet geheel toevallig overeenkomen met de opvattingen van de rijkste tien procent van de bevolking. Het merendeel van de Amerikanen gaat er vanuit dat iedere dollar die door de overheid uitgegeven wordt er een te veel is, dat alle economische problemen van het land voornamelijk veroorzaakt worden door de overheid en dat markten veel beter functioneren dan in werkelijkheid het geval is. Geen wonder dat Amerikaanse kiezers er niet in slagen hun belangen te behartigen: de instituties die hen de macht geven om dit te doen, worden door hen diep gewantrouwd. Ze zijn zich gaan identificeren met de belangen van de rijkste tien procent. Stiglitz vergelijkt deze situatie met de dystopische wereld van George Orwell’s 1984: doordat de elite bepaald waar over gesproken wordt, blijft de werkelijkheid buiten beeld. Het publieke debat zou zich moeten richten op de vraag wat de overheid kan doen, niet of de overheid zich zou mogen mengen in de economie. Dat laatste is namelijk onvermijdelijk zolang er een overheid bestaat.

De huidige Amerikaanse federale overheid is verre van vleugellam. Ondanks verwoede pogingen om de overheid te kortwieken de afgelopen dertig jaar, is deze nog steeds groot genoeg om een forse invloed te hebben op de economie. Maar omdat bijna nergens geld voor beschikbaar wordt gesteld als dit niet in het belang is van de ‘moneyed interests’, functioneert de Amerikaanse federale overheid als een suikeroom voor het bedrijfsleven.  Stiglitz beweert hiermee niet dat er een samenzwering is, maar wel dat de belangrijkste idealen die veel Amerikanen drijven – welvaart en vrijheid – pas voor hen van belang zouden moeten zijn als zij zijn voorzien van de publieke goederen die hen een eerlijke kans geven zoals goed algemeen toegankelijk onderwijs, een fatsoenlijk minimum loon, ontslagbescherming en een universele ziektekostenverzekering. Dit vereist een ander ideaal, namelijk onderlinge solidariteit, maar dat staat haaks op de ‘American Dream’, de idee dat het leven maakbaar is en zowel succes als falen de eigen verantwoordelijkheid zijn.

Het gevolg is dat steeds meer Amerikanen te kampen hebben met armoede, gebrekkig onderwijs en langdurige werkloosheid, wat belangrijke obstakels zijn voor hun sociale mobiliteit. Als Amerikanen werkelijk een eerlijke kans willen om hun Amerikaanse Droom waar te maken, zullen ze een slagvaardige overheid nodig hebben die er voor kan zorgen dat individuen redelijk gelijke kansen hebben om zich te ontplooien en dat ieder individu en bedrijf daar naar draagkracht een bijdrage aan levert. Maar zolang zij de overtuiging aanhangen dat de overheid minder zou moeten doen, niet meer, graven zij ongewild hun eigen sociaaleconomische graf en gaan degenen die al welvarend zijn er met de economische buit vandoor.

De wederopstanding van de sociale kwestie

Het economisch systeem dat is ontstaan in de V.S. produceert dezelfde resultaten als het ieder-voor-zich kapitalisme van de late negentiende eeuw en het is niet ondenkbaar dat Europese landen zich op een soortgelijke manier ontwikkelen. Hoewel de Nederlandse inkomensongelijkheid al jaren stabiel is op een relatief laag niveau, geldt dit niet voor de vermogensverdeling of het verschil tussen de armste tien procent van de Nederlanders en de rijkste tien procent. Deze zijn beide enorm gegroeid sinds de jaren negentig: de rijkste 1,3 procent van de Nederlandse bevolking bezit 40 procent van alle vermogen. 80 procent van de Nederlanders bezit slechts 25 procent van het vermogen. Het is voor vermogende mensen vrij eenvoudig om belastingen te ontwijken en hun vermogen te laten groeien. En ook in Nederland is dit het gevolg van politieke beslissingen: in 2001 werd de belasting op vermogen flink verlaagd wat in 2010 werd gevolgd door een verlaging van de erfbelasting. (Zie Rutger Bregman, Hoe groot is de ongelijkheid in Nederland?‘, De Correspondent)

Stiglitz heeft daarom met zijn The price of inequality een belangrijk boek geschreven dat ook voor niet-Amerikanen interessante inzichten biedt. Het boek legt genadeloos bloot hoe de politieke en zakelijke elite in de V.S. zich afkeren van de rest van de samenleving. Stiglitz’ grondige onderzoek en heldere verteltrant nemen de lezer mee op een vaak treurig stemmende en soms angstaanjagende reis. De enorme reikwijdte van het boek – Stiglitz bespreekt alle problemen die volgens hem sociaaleconomische ongelijkheid veroorzaken of verergeren in detail – maken het boek zeer overtuigend. Dit is tegelijkertijd ook het enige zwakke punt van het boek: Stiglitz bombardeert de lezer met feiten en cijfers, waardoor hij zijn betoog soms wat uit het zicht verliest. Verandering is volgens Stiglitz moeilijk maar zeker niet onmogelijk, zoals hij laat zien in het laatste hoofdstuk. Het belangrijkste is dat de middenklassen hun politieke bewustzijn van de waakvlam afhalen, maar daar zal wellicht eerst een nieuwe politieke of economische crisis voor nodig zijn.

De optimist zou al enige lichtpunten kunnen zien en deze komen uit onverwachte hoek.  Sociaaleconomische ongelijkheid was het grote thema van Barack Obama’s vijfde State of the Union toespraak was dit jaar. En een week voor zijn State of the Union was hetzelfde thema onderwerp van het jaarlijkse World Economic Forum in het Zwitserse Davos, een gesloten bijeenkomst voor de zakelijke en politieke elites van de wereld. Als zowel de president van het machtigste land ter wereld als de elites van die wereld zich zorgen maken over een onderwerp dat jarenlang onder het tapijt geveegd is, dan moet er wel iets aan de hand zijn. Zoals een anonieme topman in Davos uitlegde: “vergis je niet in de sfeer van nu. Een politiepistool dat per ongeluk afgaat tijdens een demonstratie in Madrid, en je hebt een opstand.”(NRC Handelsblad 25 januari 2014). Het nieuws diezelfde week dat de 85 rijkste mensen van de wereld evenveel bezitten als de 3,5 miljard armsten, zal de onrust niet weggenomen hebben. Het volk zou wel eens kunnen gaan morren.

Advertenties

De schaduwzijde van de Pax Americana

Untold titleWaarom zijn de V.S. – een land dat met grote tegenzin aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog deelnam – zo oorlogszuchtig geworden? Hoe kan het dat het land dat West-Europa bevrijdde van de nazi’s, in 2003 een illegale invasie in Irak lanceerde die door de internationale gemeenschap ten diepste werd afgekeurd?  En waarom is de Pax Americana, ofwel de Amerikaanse Vrede, eerder een vloek dan een zegen? Volgens de Amerikaanse regisseur Oliver Stone (o.a. bekend van Platoon (1986) en JFK (1991)  zijn de V.S. na de Tweede Wereldoorlog het spoor bijster geraakt op het internationale toneel. Het land voert tot op de dag van vandaag een buitenlandbeleid dat grotendeels op angst en onbegrip gestoeld is, waardoor miljoenen mensen wereldwijd onnodig hebben geleden. Stone heeft in samenwerking met de Amerikaanse historicus Peter Kuznick The untold history of the United States (2012) gemaakt, een tiendelige documentairereeks over het Amerikaanse buitenlandbeleid vanaf grofweg 1940.

The untold history is een visueel aantrekkelijke serie die geheel bestaat uit archiefbeeld afgewisseld met scenes uit Hollywoodproducties. Stone treedt op als alwetende verteller waarbij veel citaten van historische figuren, zoals Franklin Delano Roosevelt en Winston Churchill, zijn ingesproken door stemacteurs. Stones rustige maar gepassioneerde verteltrant en de ingesproken citaten geven de serie extra diepgang. De serie is rijkelijk voorzien van toepasselijke muziek waarbij de symfonieën (m.n. de vijfde en zevende) van Beethoven meer dan eens de revue passeren.

Er is geen gebruik gemaakt van interviews, iets dat als een gemis ervaren zou kunnen worden, temeer omdat Stone en Kuznick nogal kieskeurig zijn geweest bij het uitkiezen van de gebeurtenissen die de revue passeren in het verhaal dat zij vertellen. Deze eenzijdigheid is het enige en helaas forse minpunt van deze reeks: Stone en Kuznick vertellen hun verhaal over de Amerikaanse geschiedenis, maar daarbij gaat de nuance vaak verloren. Dat is erg jammer, want het is even geleden dat in de V.S. een historische documentairereeks gemaakt is met een dergelijke informatiedichtheid, kwaliteit van analyse (ondanks het gebrek aan nuance) en meeslependheid.

Harry S. Truman en de geboorte van het Amerikaanse militarisme

Stones verhaal is er een van gemiste kansen voor de V.S. Hij heeft zich altijd een historisch en maatschappelijk geëngageerd filmmaker betoond die duidelijk links van het politieke spectrum staat (waarbij aangetekend moet worden dat ‘links’ in de V.S. voor Nederlandse begrippen behoorlijk rechts is). De gangbare opvatting is dat de V.S. de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog hebben gewonnen en wisten te voorkomen dat het communisme zich als een olievlek over de wereld zou verspreiden. Maar volgens Stone en Kuznick hebben de V.S. een aantal cruciale fouten gemaakt – en opzettelijk de werkelijke motieven van de Sovjet-Unie genegeerd of verdraaid – waardoor de Koude Oorlog veel grotere spanningen heeft opgeleverd dan nodig was geweest. Stone en Kuznick hebben hun geschiedverhaal over de V.S. in een progressieve mal gegoten: ze klagen vooral de misstanden aan en bieden een glimp van hoe de wereld had kunnen zijn (vrediger en rechtvaardiger) als de leiders van de V.S. verstandiger of meer deugdelijk waren geweest.

Het is dan ook geen verrassing dat Stone zeer gecharmeerd is van de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt, een van de boegbeelden van progressief Amerika, die van 1933 tot zijn dood in april 1945 in het Witte Huis zetelde. Volgens Stone was Roosevelt, afgezet tegen zijn opvolgers, een uitzonderlijk empathische president. In tegenstelling tot latere presidenten voorzag hij een tijdperk van vriendschappelijke competitie tussen de V.S. en de Sovjet-Unie na de Tweede Wereldoorlog. Roosevelt had het goed kunnen vinden met Stalin, hoewel hij de repressie en terreur van deze dictator ten diepste afkeurde. Maar de V.S. en Groot-Brittannië hadden zonder de Sovjets de oorlog nooit kunnen winnen en daar waren zij zich ten diepste van bewust. Het was daarom in hun beider belang om Stalin met welwillendheid tegemoet te treden, hoewel Churchill daar nogal moeite mee had vanwege zijn diepgewortelde anticommunisme. Het was nog geenszins een uitgemaakte zaak dat de vier decennia die na de oorlog volgden, getekend zouden worden door de vijandschap tussen de V.S. en haar bondgenoten en de Sovjet-Unie en het ‘communistisch blok’ die uiteindelijk het dominante kenmerk zou worden van deze periode.

Dat deze spanningen zich uiteindelijk toch manifesteerden, was te danken aan Roosevelts opvolger, Harry S. Truman.  Truman omringde zich met hardliners als James Byrnes en Dean Acheson, die beide minister van buitenlandse zaken waren onder Truman. Stone trekt herhaaldelijk een parallel met George W. Bush: zowel Truman als Bush jr. waren volgens Stone intellectueel incompetent, politiek onbeduidend, hadden zich beroerde zakenmannen betoond en worstelden met een negatief zelfbeeld dat voor een belangrijk deel was ingegeven door dominante vaders. En beiden hadden zich omringd met adviseurs en ministers die zeer uitgesproken, weinig genuanceerde denkbeelden hadden over het buitenlandbeleid dat zich als gevolg daarvan concentreerde op echte en denkbeeldige vijanden. Truman was, net als Bush, bij zijn aftreden een van de minst populaire presidenten aller tijden.

Onder Truman barstte de Koude Oorlog in alle hevigheid los, wat volgens Stone de uiteindelijke consequentie was van Trumans besluit om de oorlog in Japan te beslechten door twee atoombommen af te laten werpen. Dit was volgens Stone volstrekt onterecht omdat Japan al zo goed als verslagen was. Truman verdedigde de inzet van de bommen door erop te wijzen dat een Amerikaanse invasie van de Japanse eilanden honderdduizenden Amerikaanse soldaten het leven zou kosten. Stone doet dit echter af als leugens, en blaast hiermee het onder historici fel bediscussieerde idee van ‘atomic diplomacy’ weer nieuw leven in, dat veronderstelt dat de V.S. de bommen slechts afgeworpen hadden om de Sovjet-Unie te intimideren. Daarmee begeeft hij zich op zeer dun ijs, aangezien historici vrij overtuigend beargumenteerd en bewezen hebben dat de Japanners hun moederland waarschijnlijk tot de laatste man zouden verdedigen en dat een Amerikaanse invasie van Japan inderdaad een zeer bloedige aangelegenheid zou zijn geweest.

Het centrale thema van de Koude Oorlog, de strijd tussen het liberale democratische westen en het totalitaire communistische blok, was voor een belangrijk deel een westers construct om het Amerikaanse militaire imperialisme te rechtvaardigen aldus Stone. De idee van een communistisch blok doet een eensgezindheid vermoeden onder de communistische landen die in werkelijkheid niet bestond. Een bekend voorbeeld is de Joegoslavische querulant Joseph Tito, die als partizaan tegen de nazi’s gevochten had en Joegoslavië vervolgens verenigde onder communistische vlag. Tito was echter bijzonder ongehoorzaam aan Stalin (die hem een aantal keren heeft proberen te laten vermoorden), en werd uiteindelijk geëxcommuniceerd,  onder meer omdat hij openlijk de communistische rebellen in Griekenland bleef steunen tijdens de Griekse burgeroorlog van 1946-1949. Stalin had de westerse geallieerden beloofd dat Griekenland tot de invloedssfeer van het westen zou behoren en was bijzonder geïrriteerd door Tito’s ongehoorzaamheid. Ook de Chinezen, die zich in 1949 tot het communisme gewend hadden, zouden zich meer dan eens rebels opstellen tegenover de Sovjet-Unie.

WAR & CONFLICT BOOK ERA:  WORLD WAR II/PERSONALITIESZittend v.l.n.r: Winston Churchill, Franklin Roosevelt en Jozef Stalin tijdens de conferentie van Jalta in februari 1945.

De constructie van die vijandbeeld was het gevolg van Amerikaanse onwil om zich in te leven in de belangen van Stalin. Stone doet erg zijn best om aan de kijker over te brengen dat de Sovjet-Unie en haar leiders niet de belichaming van het absolute kwaad waren zoals in de V.S. gedacht werd en wordt. Stone gaat daarbij soms nogal economisch om met de historische werkelijkheid om Stalins blazoen op te poetsen. Zo stelt hij dat de Comintern, een organisatie die ijverde voor een wereldwijde verspreiding van de communistische revolutie, tijdens de oorlog opgeheven werd om de westerse geallieerden niet voor het hoofd te stoten. Maar in 1947 richtte Stalin Cominform op en in 1949 Comecon (deels als reactie op het Amerikaanse Marshallplan), organisaties met dezelfde ‘revolutionaire’ doelstellingen die zich echter beperkten tot Europa.

Stone en Kuznick proberen veel acties van Stalin, zoals bijvoorbeeld de de facto annexatie van Tsjecho-Slowakije in 1948, uit te leggen als reacties op Amerikaanse provocaties. Daar  zit misschien een kern van waarheid in, maar Stalin heeft er tegelijkertijd nooit geheimzinnig over gedaan dat hij Oost- en delen van Midden-Europa als zijn invloedssfeer beschouwde en daar ook naar handelde. Wellicht dat dit een betere uitleg is voor de steeds steviger taal die Washington aan het einde van het jaren veertig aan het Kremlin richtte, waarbij de dreiging van nucleaire represailles geen vergezicht was (de Sovjet Unie kreeg in 1949 de bom). Een meer empathische omgang door de V.S. met de Sovjetleiders had wellicht niet tot de nucleaire wapenwedloop geleid die de wereld aan de rand van de afgrond zou brengen in oktober 1962 tijdens de Cubaanse raketcrisis, aldus Stone en Kuznick. Toen Truman in 1952 het Witte Huis verliet, was er een buitenlandbeleid van de V.S. uitgekristalliseerd tijdens de Koude Oorlog en daarna leidend zou blijven. Dit beleid werd volgens Stone en Kuznick bepaald door vier veronderstellingen:

1.) Het communisme was een eenvormige beweging die vanuit Moskou geleid werd; de politieke en militaire elite in het Kremlin had als enige doel de rijkweidte van het communisme uit te breiden en te bestendigen. Het was daarom van groot belang dat de V.S. zich waar ook ter wereld, desnoods met geweld, ervan zou verzekeren dat niet meer landen onderworpen zouden worden aan het communistische juk.
2.) De wereld was in essentie verdeeld tussen communistische staten en staten die dit niet waren. Alles was beter dan een communistische staat, hieruit volgde dat een rechtse militaire dictatuur te verkiezen was boven een socialistische of communistische staat.
3.) Er bestond geen onderscheid tussen het communisme, socialisme, marxisme en alle andere stromingen die op een of andere manier aan het communisme/socialisme verwant waren.
4.) De V.S. konden, waar een wanneer zij wilden, dreigen met nucleaire aanvallen als andere opties niet toereikend leken.

De geur van achterkamertjes en complotten

Het was een recept voor paranoia, onnodig militair machtsvertoon en, achteraf bezien, beslissingen die de V.S. meer dan eens schaadden. De V.S. begrepen niet alleen weinig van hun vijanden, maar dehumaniseerden ook hele naties door hen in het kamp van de communisten te scharen. De V.S. stortten zich in strafexpedities in exotische oorden met als tragisch dieptepunt de oorlog in Vietnam. Vanaf de oorlog in Korea, van 1950 tot 1953, handhaafden de V.S. een enorm leger dat in omvang toe bleef nemen doordat de V.S. zich wereldwijd positioneerden in gebieden waar mogelijk haar bondgenoten of belangen bedreigd werden door communistische agressie.

Door de algehele paranoia over de communistische dreiging deden de wildste theorieën de ronde over ‘bomber gaps’ en ‘missile gaps’ (het idee dat de Sovjet-Unie een enorme voorsprong had in wapentuig, met name manieren om kernwapens op de V.S. te doen neer regenen). Dit gevaar werd steeds schromelijk overdreven, de Sovjets liepen doorgaans achter op de V.S., maar dat deed niets af aan de ervaring van dit gevaar. Toen in 1961 John F. Kennedy het Witte Huis betrok, was er eventjes hoop dat de betrekkingen met de Sovjet-Unie zouden verbeteren. Deze hoop werd al snel de grond ingeslagen, eerst door de voor de V.S. rampzalig verlopen Varkensbaai invasie en vervolgens door de manier waarop Kennedy de V.S. Vietnam inrommelde. Volgens Stone was een belangrijk keerpunt de Cubaanse raketcrisis van oktober 1962, waarbij de wereld op de rand van de afgrond had gestaan. Stone schrijft de vredige oplossing van deze crisis bijna geheel toe aan Nikita Chroesjtsjov, leider van de Sovjet-Unie van september 1953 tot oktober 1964, die als eerste tot het inzicht zou zijn gekomen wat er op het spel stond. Maar het was ook Chroesjtsjov die de crisis uitgelokt had door kernwapens op Cuba te plaatsen, bovendien wilde hij tijdens deze zenuwslopende veertiendaagse crisis lange tijd geen haarbreed toegeven.

Volgens Stone, die met de film JFK (1991) al eens ingegaan was op de moord op Kennedy, had Kennedy zich na de Cubacrisis gerealiseerd dat de weg die de V.S. en de Sovjet-Unie waren ingeslagen slechts kon eindigen bij een nucleaire Apocalyps. Daarom was Kennedy, volgens Stone, van plan om de Amerikaanse troepen in Vietnam zo snel mogelijk terug naar de V.S. te halen en het buitenlandbeleid van de V.S. weer op reële overtuigingen te stoelen, in plaats van een wereldbeeld waarbij de V.S. het absolute Goede vertegenwoordigden en de Sovjet-Unie het Kwaad. Kennedy had, mede door zijn nauwe en zeer persoonlijke contact met Chroesjtsjov tijdens de Cubacrisis, meer oog gekregen voor de mensen die schuilgingen achter het ‘evil empire’ dat de Sovjet-Unie in de beleving van veel Amerikanen was.

Helaas werd Kennedy in november 1963 vermoord, net als zijn even charismatische en invloedrijke broer Robert en de anti-segregatie activist Martin Luther King Jr., die beide in 1968 onder mysterieuze omstandigheden van het leven beroofd werden. Stone zegt het niet met zoveel woorden (wel in de film JFK overigens), maar deze moorden lijken volgens hem niet het werk te zijn geweest van enkele lone wolves of extremisten die op eigen houtje de moorden beraamd hadden. Stone suggereert dat machtige politieke en militaire elites die zich deels in een schaduwwereld begeven uiteindelijk de drijvende krachten zijn geweest achter deze moorden.

De geur van achterkamertjes en vuige politieke spelletjes stijgt regelmatig op tijdens deze reeks. Stone en Kuznick lijken geen complotdenkers, maar ze grijpen wel iedere gelegenheid aan om de algemeen geaccepteerde lezing van de Amerikaanse geschiedenis tijdens en na de Koude Oorlog ter discussie te stellen. Iedere rechtgeaarde historicus zou het als zijn plicht moeten zien om, als daar reden toe is, vraagtekens te zetten bij de ‘officiële’ lezing van controversiële gebeurtenissen, maar Stone en Kuznick grijpen soms iets te gretig gelegenheden aan om dit te doen.

Een mooi voorbeeld hiervan is de opmerkelijke afscheidsrede van president Dwight D. Eisenhouwer, voormalig opperbevelhebber van de westerse geallieerden tijdens de Tweede Wereldoorlog, en van 1953 tot 1961 president van de V.S. Eisenhouwer waarschuwde de Amerikaanse bevolking tijdens zijn afscheidsrede voor het ‘militair-industriële’ complex. Hij doelde hiermee op de enorme defensie-industrie die in het leven geroepen was, wat een belangrijke ommekeer in het Amerikaanse publieke leven en politieke denken markeerde. Gedurende de kleine twee eeuwen dat de V.S. bestonden, was het land altijd beducht geweest voor een groot staand leger omdat dit op gespannen voet stond met de democratische idealen waarop het land gegrondvest was. Een machtige militaire klasse verwierf vaak meer politieke invloed dan wenselijk was en oorlogen werden doorgaans met groter gemak aangegaan. Nu militaire en economische belangen hand in hand gingen, aldus Eisenhower, diende de Amerikaanse burgerij extra waakzaam te zijn voor de teloorgang van de spirituele en principiële grondslagen van het land.

Stone haakt met enthousiasme in op deze waarschuwing, want hij laat niet na te suggereren dat het militair-industriële complex enorme invloed had op het Amerikaanse buitenlandbeleid en nog altijd een belangrijke drijvende kracht is achter de lichtzinnige manier waarop de V.S. ten strijde trekken. Maar dit is niet helemaal correct. Het militair-industriële complex speelt hier zeker een rol in, vooral tijdens de laatste grote invasie die de V.S. ondernamen in Irak in 2003. De Amerikaanse bereidheid om ten strijde te trekken heeft echter, zeker sinds het drama in Vietnam, veel complexere wortels dan Stone suggereert. Het voert te ver om op deze plek over dit onderwerp uit te weiden (geïnteresseerden klikken hier voor een andere uitleg); het is in ieder geval niet zo dat de defensie-industrie aan de knoppen zit in Washington.

Na het overlijden van Kennedy lijkt, in het narratief van Stone en Kuznick, de Amerikaanse buitenlandpolitiek tot het einde van de Koude Oorlog steeds een herhaling van zetten. Het debacle in Vietnam zette echter wel een rem op de Amerikaanse bereidheid om zich in buitenlandse avonturen te storten. Richard Nixon en Ronald Reagan, beide Republikeinse presidenten, worden op redelijk evenwichtige wijze benaderd, vooral omdat Nixon de grote man achter de detente met de Sovjet-Unie was en Reagan op een haar na alle kernwapens de wereld uit geholpen had. Stone en Kuznick kunnen het echter niet nalaten om erop te wijzen dat zowel Nixon als Reagan het falen van hun buitenlandpolitiek vooral aan zichzelf te wijten hadden, terwijl ook hier de werkelijkheid minder zwart/wit is.

Een (k)oude oorlog in een nieuw jasje

Met het einde van de Koude Oorlog kwam geen einde aan de in de V.S. gevoelde noodzaak voor militaire suprematie op het wereldtoneel. Na de Eerste Golfoorlog in 1991 was in ieder geval het trauma van Vietnam goeddeels verwerkt, maar de V.S. bezaten nog steeds een reusachtig militair apparaat. ‘Idle hands are the devil’s work’, zoals de schrijver Kurt Vonnegut ooit schreef, en dat was niet de bedoeling voor de militaire machinerie van de V.S. Dus werden er na Operation Desert Storm talloze andere interventies ondernomen in verre oorden waar de V.S. geen directe belangen hadden. In de jaren negentig werden Amerikaanse grondtroepen en luchtmachteenheden onder andere uitgezonden naar Somalië, Saoedi-Arabië (om Afghanistan en Irak te bombarderen), Joegoslavië en Kosovo. Deze laatste twee uitzendingen bevestigden voor de V.S. dat zij nog steeds nodig was als supermacht om onrecht in de wereld te bestrijden omdat de Europeanen zich totaal incompetent betoond hadden in het voorkomen van de genocide die zich voltrok op de Balkan. Het gaf de V.S. een meer geaccepteerde (zo dacht men) reden om haar hegemonie te handhaven: het was het enige land ter wereld dat de wil en de slagkracht had om schendingen van mensenrechten af te straffen en erger te voorkomen.

Deze façade werd al snel neergetrokken door George W. Bush na de aanslagen op elf september 2001. Bush, die zich als presidentskandidaat nog als isolationist geprofileerd had, ontketende de volle toorn van de militaire machine van de V.S. De lieden die Bush om zich heen verzameld had stonden bekend als neoconservatieven, waaronder vicepresident Dick Cheney en Donald Rumsfeld. Zij hadden allen onder Nixon, Reagan of Bush Sr. gediend en waren geharde ‘cold warriors’ waarvan de intellectuele voorvaderen na de Vietnamoorlog de Democratische Partij verbitterd de rug hadden toegekeerd. Voor hen bestonden er geen grijstinten in het denken over goed en slecht.

Terwijl een maand na de aanslagen in New York en Washington Amerikaanse bommenwerpers de weinige militaire doelwitten in Afghanistan tot smeulende puinhopen reduceerden, probeerden de neocons met man en macht om een verband te leggen tussen Al-Qaida, de Taliban en Saddam Hoessein. De CIA kreeg dit niet voor elkaar omdat er geen connectie bestond, waarna Cheney zijn eigen inlichtingendienst ging bestieren vanuit zijn kantoor in het Witte Huis. Prompt dook er allerlei bewijs op dat zou duiden op de betrokkenheid van Saddam Hoessein bij Al-Qaida, waarna de voorheen zo respectabele minister van defensie Colin Powell in een schandelijke presentatie bij de Verenigde Naties een casus belli presenteerde die voornamelijk uit luchtfietserij bestond.

Bush-end-major-operationsGeorge W. Bush op 1 mei 2003 op het vliegdekschip U.S.S. Abraham Lincoln, tijdens de speech waarin hij de overwinning op Irak uitriep. De V.S. zouden nog tot december 2011 militair aanwezig zijn in Irak.

Operation Iraqi Freedom was in veel opzichten een herhaling van Vietnam. De Amerikanen hadden geen idee in wat voor wespennest ze zich begaven en al snel bevonden de Amerikaanse troepen zich midden in een guerrilla-oorlog die later ontaarde in een gewapende opstand die tot op de dag van vandaag voort duurt. De ostentatieve toepassing van militair geweld bleek, wederom, geen geschikt middel te zijn om de doelen die de V.S. zich gesteld hadden te behalen, ondanks de steeds ongeloofwaardiger wordende beweringen van Bush c.s. dat de situatie in Irak zich stabiliseerde.

En weer stond er een vermeende messias op, deze keer in de vorm van Barack Obama, die de Amerikaanse bevolking zou bevrijden, moe van de zwaar opgeklopte meldingen van terreurdreigingen en de oorlogen in Afghanistan en Irak als zij was. Maar ook Obama, die niet alleen de puinhopen in Afghanistan en Irak erfde maar ook de grootste financiële en economische crisis sinds de Grote Depressie van de jaren dertig, bleek twee gezichten te hebben. Onder zijn leiding hebben de V.S. zich steeds meer toegelegd op oorlogsvoering op afstand door middel van drones, heeft het land in niet mis te verstane bewoording China duidelijk gemaakt dat het zich niet te veel illusies moet maken over haar macht in Azië en blijkt als kers op de taart dat Amerikaanse inlichtingendiensten vrijwel de gehele wereldbevolking als potentiële terroristen beschouwd.

Daarmee is de dynamiek van wantrouwen en Amerikaans militarisme die meer dan zestig jaar geleden door Truman in gang werd gezet, nog steeds volop aanwezig volgens Stone en Kuznick. Ze eindigen met een hoopvolle boodschap: wellicht dat er weer eens een figuur als Roosevelt, Kennedy of zelfs Obama opstaat die wel in staat zal zijn de spiraal van geweld en spierballentaal waarin de V.S. verzeild zijn geraakt, zal kunnen en willen doorbreken.

Conclusie

The untold history of the United States is, het moet gezegd worden, een knappe documentairereeks die een interessante analyse van de naoorlogse geschiedenis van de buitenlandpolitiek van de V.S. biedt. Oorspronkelijke zou de serie The secret history of the United States heten, maar daar werd op het laatste moment onder druk van het televisiestation dat de serie zou uitzenden vanaf gezien vanwege de negatieve lading van deze titel. Die lading is echter volop aanwezig in de serie, die meer dan eens behoorlijk deprimerend is vanwege de vele misstappen en wandaden die Stone en Kuznick de kijker voorschotelen.

De kijker dient in het achterhoofd te houden dat de grote controverses die de revue passeren, van het gebruik van atoombommen door Truman tot de moord op Kennedy, de Cubacrisis en de Amerikaanse reactie op de aanslagen op elf september 2001, met reden controversieel zijn. Stone en Kuznick geven in deze gevallen een zeer eenzijdige lezing van de geschiedenis die het aanhoren waard is, maar geenszins een consensus onder historici weergeeft. Dit kan Stone en Kuznick aangerekend worden aangezien de serie bedoeld is voor het grote publieke en zij zich de missie hadden gesteld om het publiek een oase van informatie te bieden in de woestijn van propaganda die het gepolariseerde medialandschap van de V.S. is. Dat zij hier niet in geslaagd zijn is een gemiste kans. Dat neemt niet weg dat The untold history verplichte kost is voor iedereen die meer wil weten over het buitenlandbeleid van de V.S. tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De kijker dient echter niet alles voor zoete koek te slikken.

Oliver Stone en Peter Kuznick, The untold history of the United States (2012). Verkrijgbaar op DVD, Blu-Ray en in boekvorm.

__________________________________________________________________________

Andrew Bacevich, kolonel b.d. van de U.S. Army en hoogleraar internationale betrekkingen en geschiedenis aan Boston University, vertelt over het Amerikaanse militarisme na de Koude Oorlog.

De ongrijpbaarheid van het neoliberalisme (slot): de doodlopende weg naar de participatiemaatschappij

Power marketIn de vorige twee artikelen (deel 1 en deel 2) heb ik uiteengezet hoe het neoliberalisme ontstond in Duitsland tijdens het interbellum en hoe de neoliberale beweging veroordeeld werd tot de marges van politiek en beleid in de westerse wereld. Er was sprake van een schisma in de neoliberale beweging aan het begin van de jaren zestig, waarna de meer laissez-faire georiënteerde neoliberalen uit de Angelsaksische wereld de overhand kregen. In dit laatste deel over het neoliberalisme zal ingegaan worden op de eerste toepassing van het neoliberale gedachtegoed in Chili vanaf 1973, de neoliberale opmars in de westerse wereld vanaf de jaren tachtig en de versmelting van linkse en rechtse vrijheidsidealen in het hedendaagse containerbegrip ‘neoliberalisme’ .

Neoliberale avonturen in Latijns-Amerika

In 1970 werd de Chileense marxist Salvador Allende democratisch verkozen tot president van Chili. Hij had een stevig socialistisch programma, waardoor onder de top van het Amerikaanse bedrijfsleven onrust uitbrak. Zo’n 20 procent van de buitenlandse investeringen in Chili waren afkomstig uit de V.S. Deze investeerders waren bang dat hun bezittingen genationaliseerd zouden worden en dat zij de hoge winsten die zij in Chili behaalden zouden verliezen. Deze vrees was niet ongegrond, aangezien Allende de positie van vakbonden wilde verstevigen en de kloof tussen arm en rijk wilde dichten door de lonen te laten stijgen.

Onder leiding van Amerikaanse multinationals zoals de bank J.P. Morgan, Ford Motorcompany en de telecomgigant ITT werd een economische oorlog tegen Chili gevoerd. Investeringen droogden op, afzetmarkten verdwenen en leningen werd vervroegd opgeëist. ITT had ongehoorde invloed op het Amerikaanse buitenland beleid ten aanzien van Chili. Leden van de raad van bestuur van ITT correspondeerden met Henry Kissinger, de Nationaal Veiligheidsadviseur van president Nixon en vanaf 1973 minister van buitenlandse zaken, over de beste manier om Chili aan te pakken.

De V.S. zetten een lastercampagne op die de regering van Allende afschilderde als proto-communisten die een gevaar waren voor Chili en de stabiliteit in de regio. De vrees bestond dat het warme onthaal voor socialisten als Allende navolging zou vinden in andere landen in Latijns-Amerika. Dat was niet alleen slecht voor het Amerikaanse bedrijfsleven, maar zou volgens de logica van de Koude Oorlog ook een de facto overwinning voor de Sovjet-Unie betekenen. De hoop was dat de steun die Allende genoot bij de Chileense bevolking zou verdampen, maar het tegenovergestelde gebeurde. In 1973 werd Allende met steun van de V.S. door het Chileense leger afgezet en vervangen door de legerkolonel Augusto Pinochet. Hierop volgde een bloedig terreurbewind dat onder andere in Nederland tot veel verontwaardiging leidde.

Allende had in de voorgaande drie jaar werk gemaakt van zijn socialistische programma. Veel bedrijven waren genationaliseerd, er waren prijscontroles ingesteld, lonen waren gestegen en de machtige grootgrondbezitters hadden delen van hun land moeten afstaan aan kleine boeren. Er was een begin gemaakt met de nationalisatie van de kopermijnen, die zeer lucratief waren omdat Chili de grootste kopervoorraad ter wereld bezat. De Chileense economie was gegroeid tijdens de eerste jaren van Allende’s bewind, maar tegen de tijd dat hij afgezet werd, worstelde Allende met een recessie en hoge inflatie. Voor het regime van Pinochet, dat vooral de belangen van de grootgrondbezitters en buitenlandse kapitaalschieters behartigde, was het zaak om met een korte maar massale hervorming van de economie de markt weer in ere te herstellen.

De neoliberalen van de Chicago School of Economics bevonden zich in een zeer gunstige positie om deze taak te volbrengen. In voorgaande jaren hadden zij een economische faculteit opgezet aan de Katholieke Universiteit van Santiago, waar studenten doordrongen werden van de zegeningen van een vrije markt en de schadelijke invloed van overheden op economie en samenleving. The Ford Foundation, een door de gelijknamige autoproducent opgerichte charitatieve instelling die zich onder andere toelegde op het verstrekken van studiebeurzen aan buitenlandse studenten, steunde een programma dat voorzag in studiemogelijkheden voor Chileense studenten economie aan de Chicago School of Economics. Honderden Chileense studenten economie raakten zo doordrongen van de zegeningen van de vrije markt en de schadelijke gevolgen van overheidsinterventionisme.

Na de coup van Pinochet werden Amerikaanse neoliberalen ingevlogen om de Chileense economie middels ‘shock therapy’ weer op de rails te krijgen. Zij werden bijgestaan door hun Chileense vakgenoten, waarvan een aantal hoge posities kreeg in het regime van Pinochet. Pinochet maakte korte metten met de socialistische economische politiek van Allende en zijn geestverwanten. De Chicago Boys en hun Chileense studenten hadden een 500 pagina’s tellende blauwdruk geschreven (deze werd ‘De Baksteen’ genoemd) om de Chileense economie radicaal te hervormen en op neoliberale leest te schoeien. Zij waren op de hoogte geweest van de plannen van het leger: al enige tijd voor de coup waren zij begonnen met het schrijven van ‘De Baksteen’ zodat het nieuwe regime onmiddellijk na de machtsgreep zou kunnen beginnen met de economische hervormingen. Voor het eerst in de geschiedenis was het mogelijk om neoliberale ideeën door middel van een vooropgezet plan in praktijk te brengen.

PinochetFriedman

Friedman, in het zwarte pak links op de foto, op bezoek bij Pinochet.

De Chileense bevolking werd onderworpen aan een politieke terreur die vooral gericht was tegen ‘andersdenkenden’. De chaos en terreur in de eerste maanden na de coup van Pinochet, boden de ideale omstandigheden om de economie in ijltempo te hervormen. Oppositiegroepen konden zich niet organiseren omdat zij daarmee een groot risico liepen om zonder proces opgesloten te worden. De belangrijkste leiders van deze groepen waren al opgepakt, gemarteld en vaak vermoord door het regime.

De negatieve gebruik van de term neoliberaal lijkt hier zijn oorsprong te hebben: de radicale liberalisering van de Chileense economie in combinatie met de bloedige terreur van het regime van Pinochet, zette veel kwaad bloed en veroordeelde veel Chilenen – die zich in voorgaande jaren hadden kunnen opwerken tot de middenklasse – opnieuw tot armoede. Elders in Latijns-Amerika werden met steun van de V.S. soortgelijke staatsgrepen gepleegd en werden vervolgens – hand in hand met een periode van terreur -dezelfde economische hervormingen doorgevoerd.

Het Chileense neoliberale experiment was een fiasco: de inflatie bereikte meer dan 350 procent op jaarbasis, de werkloosheid explodeerde tot meer dan 30 procent en tienduizenden banen verdwenen. Vrijwel alles werd geprivatiseerd, van de zorg tot begraafplaatsen. Friedman, geconfronteerd met de beroerde resultaten van de toepassing van zijn economische ideeën, verzekerde Pinochet dat het moest eerst nog veel erger worden voordat het beter werd. De grove verstoringen van de markt in voorgaande jaren hadden deze ‘ziek’ gemaakt en zachte heelmeesters maakten nu eenmaal stinkende wonden. Friedman beweerde dat markten altijd een ‘natuurlijk evenwicht’ zou zoeken en dat zodra dit evenwicht bereikt was, een periode van groei zou aanbreken.

De Chileense economie bleef beroerd presteren gedurende de jaren zeventig: ondanks enige jaren economische groei, vloeide deze welvaart vooral naar de elites. De arbeiders- en middenklasse moesten fors inleveren. Deze situatie duurde voort totdat in 1982 het bankensysteem ineen stortte. Het regime van Pinochet werd gedwongen in te grijpen en had uiteindelijk een groter aandeel in de economie dan voor de coup in 1973 het geval was geweest. Het stapte daarna af van het neoliberalisme en begon een meer gematigde koers te varen, waarna Chili een periode van gestage economische groei kende.

Ondanks de teleurstellende resultaten van het Chileense experiment, had het wel een blauwdruk opgeleverd voor staten die in economische nood verkeerden en hun buitenlandse kredietverstrekkers niet langer konden betalen. Het IMF en de Wereldbank modelleerden in de jaren tachtig en negentig hun pakket aan noodmaatregelen voor landen die aan de economische afgrond stonden voor een belangrijk deel naar de ingrepen die in Latijns-Amerika zijn gedaan. Dit pakket van beleidsmaatregelen kwam uiteindelijk bekend te staan als ‘The Washington Consensus’ (beide instituties zijn gevestigd in Washington): privatisering, deregulering en bezuinigen werden de dominante maatregelen. Polen werd op deze manier hervormd in 1989, Rusland in 1991, Zuidoost-Azië na de crisis aldaar in 1998 en in Griekenland en Portugal in 2010. In vrijwel al deze landen kwam de bevolking op den duur in opstand omdat hun levensstandaard in rap tempo kelderde.

De neoliberale opmars

De westerse wereld werd in de jaren zeventig opgeslokt door haar eigen economische en maatschappelijke problemen. De energieprijzen (en daarmee de inflatie) rezen de pan uit en het internationale monetaire systeem was in 1971 in elkaar gestort doordat de V.S. onder leiding van Nixon van de goudstandaard af stapten. Daarbij werden westerse overheden in de jaren zestig geconfronteerd met protestbewegingen die de maatschappelijke verhoudingen grondig veranderden. De opkomst van de protestbewegingen en in Nederland de ontzuiling, maakten dat traditionele machtsaanspraken erodeerden. Burgers werden steeds wantrouwiger ten op zichtte van gevestigde instituties en machtsbolwerken zoals de kerk en de overheid. Ook deze bewegingen werden gevoed door een verlangen naar meer individuele vrijheid, waarbij het vooral ging om de vrijheid om het eigen leven vorm te geven (positieve vrijheid). Dit in tegenstelling tot het negatieve vrijheidsideaal van de neoliberalen: zij wilden derden, in het bijzonder de overheid, ervan weerhouden zich te mengen in het leven van individuen.

De neoliberalen leken hun gelijk te halen met hun appel op meer negatieve vrijheid toen in de jaren zeventig vrijwel alle westerse verzorgingsstaten geconfronteerd werden met langdurige economische stagnatie in combinatie met hoge inflatie, een fenomeen dat de weinig eloquente term stagflatie kreeg toebedeeld. De neoliberalen kregen in het westen voet aan de grond door er op te wijzen dat de interveniërende (Keynesiaanse) staat de belangrijkste oorzaak was van de economische malaise. De collectieve lasten drukten zwaar op de schatkist van de staat en waren niet langer op te brengen doordat de economische groei te gering was om de uitdijende overheidsuitgaven bij te benen. Volgens de neoliberalen was de overheid voor deze problemen verantwoordelijk: zij had zich als paternalistisch hoeder van de maakbare samenleving opgeworpen en had daarmee verstoringen in het economische systeem veroorzaakt. Als men de markt meer ruimte zou geven, dan zouden zowel de inflatie als de hoge rentes op den duur tot normale niveaus dalen en zou het weer lonen om te werken en te investeren.

Westerse politici kwamen daarmee voor een duivels dilemma te staan. Om de overheidsuitgaven weer gezond te maken, was het noodzakelijk om te snoeien in de sociale zekerheid en de voorzieningen van de verzorgingsstaat. Maar dit was electoraal zeer onaantrekkelijk. Het verder laten oplopen van het begrotingstekort en de staatsschuld was vanwege de hoge inflatie en oplopende rente op staatsobligaties ook geen mogelijkheid. Westerse overheden werden geconfronteerd met wat de Canadees-Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith de asymmetrische politieke gevolgen van het Keynesianisme noemde. Het verhogen van overheidsuitgaven aan sociale zekerheid en het verlagen van belastingen om de vraag te stimuleren waren beide populaire maatregelen. Maar zodra er sprake was van inflatie, moest de overheid haar uitgaven beperken en belastingen verhogen. Het Keynesianisme was, in de woorden van Galbraith: “a one-way street or, more precisely, an avenue that presented a pleasant and easy downhill passage but a very difficult and uncertain effort in ascent”.

Margaret-Thatcher-Meets-With-Ronald-ReaganMargaret Thatcher en Ronald Reagan in Londen in 1978, enkele jaren voordat zij de ideeën van de Chicago School salonfähig maakten onder de bevolking in de westerse wereld.

In de V.S. noch Groot-Brittannië werden pogingen ondernomen om de Keynesiaanse berg weer te beklimmen. De aanhoudende economische malaise in het westen opende deuren die tot dan gesloten bleven voor de neoliberalen. Ronald Reagan en Margaret Thatcher maakten korte metten met de Keynesiaanse idealen. Reagan voerde tijdens zijn eerste termijn als president de grootste economische en fiscale hervormingen sinds de New Deal door terwijl Thatcher publiekelijk verklaarde dat ‘de samenleving’ niet bestond, waarmee zij in feite stelde dat het fundament van de verzorgingsstaat, solidariteit, een illusie was. Als zelfverklaard aanhanger van Friedrich Hayek gooide ze tijdens een partijtop van de Conservatives een exemplaar van Hayeks The constitution of liberty op tafel en verklaarde: “This is what we believe”. De hervormingen die zij doorvoerden leken aanvankelijk succesvol.

Vrijheid, maar waartoe?

Het economisch herstel in de V.S. en Groot-Brittannië gedurende de jaren tachtig werd met bewondering gadegeslagen. Westerse overheden begonnen hun rol te revalueren. Zij werden hierbij gedreven door financiële beperkingen en een veranderend mens- en maatschappijbeeld. De rechtse idealen van een vrije markt werden gestut door de spirituele bevrijding van het individu dat vanaf de linkerzijde gepropageerd was. De idee van zelfbeschikking werd ingebed in de vrije markt: het van God en traditie bevrijdde individu kon zich op de markt uitleven in ongebreideld consumentisme. Er restte het individu, teruggeworpen op zichzelf, niets anders dan zich tijdens het aardse leven over te geven aan materiële weelde. Het leven stond niet langer in het teken van vroomheid en ijver of enige plichten ten op zichtte van een abstractie als de gemeenschap.

Individuele en maatschappelijke prioriteiten verschoven daardoor van solidariteit en gemeenschapszin naar private accumulatie van welvaart. Partijen als de SP kenmerken dit als neoliberaal: de zucht naar geld en een overheid die deze tendens vaak faciliteert door zichzelf als overbodig te presenteren, worden door de SP gezien als ontwikkelingen die alleen het grootkapitaal dienen en de middenklasse uitholt. Daarbij wordt vaak vergeten dat dit neoliberalisme in feite van twee kanten kwam: de rechtse nadruk op meer marktwerking en de linkse inzet voor het bevrijdde individu, resulteerden uiteindelijk in een allesoverheersende nadruk op individuele vrijheid. Dit ging helaas gepaard met een zeer schraal mens- en maatschappijbeeld waarbij de dominante waarden opmerkelijk egocentrisch van aard waren.

Dit verklaart ook waarom veel als neoliberaal gekenmerkte politici en denkers zichzelf niet als zodanig zien. Het zijn vaak traditionele liberalen die dit etiket aangewreven krijgen. Dat waar het neoliberalisme voor verantwoordelijk wordt gehouden, heeft deels haar voedingsbodem in ontwikkelingen die haaks staan op de liberale idealen. ‘Affirmative action’ bijvoorbeeld, een beleid waarbij (etnische) minderheden en sociaaleconomisch zwakke groepen voorgetrokken werden door de overheid, stond haaks op het gelijkheidsbeginsel dat veel liberalen koesterden. Ook moesten veel liberalen niets hebben van de afbraak van traditionele waarden of de sceptische houding ten op zichtte van autoriteit die zo kenmerkend is voor de moderne burger. Onder invloed van het wereldbeeld van de Chicago School en de linkse afbraak van tradities, kwam het individu centraal te staan in de overwegingen van beleidsmakers. Zij werd in toenemende mate benaderd als een rationeel handelende consument die zijn eigen keuzes wilde maken en geen behoefte had aan paternalisme in iedere denkbare vorm.

Conclusie

Hoe ongrijpbaar is nu het neoliberalisme? Het losse gebruik van de term in dit artikel suggereert dat er geen vaste invulling bestaat voor dit begrip. In de wetenschappelijk literatuur staat het daarom als ‘essentialy contested concept’ te boek: er is geen consensus over de inhoud. Het label ‘neoliberaal’ dat Friedman c.s. toebedeeld hebben gekregen, is een historische erfenis en is daarom in dit artikel gehandhaafd.

Heden ten dage lijkt de term echter een vergaarbak te zijn geworden van alle echte en vermeende problemen die het resultaat zijn van verschillende vrijheidsidealen en de manier waarop zij zowel het overheidsbeleid als de samenleving gevormd hebben de afgelopen vijftig jaar. Het getuigt van gemakzucht om deze problemen met een term als ‘het neoliberalisme’ aan te duiden, hoewel dit politiek opportuun kan zijn door de negatieve connotatie die er aan kleeft. Niettemin heeft het begrip ‘neoliberalisme’ zoals het in het dagelijks taalgebruik gehanteerd wordt de pretentie te veel te verklaren en leert ons daarmee niets.

Daarmee is niet gezegd dat er nooit zoiets als het neoliberalisme bestaan heeft, zoals het eerste deel van dit artikel beoogde duidelijk te maken. Dit Duitse neoliberalisme is echter vrij roemloos ten onder gegaan, hoewel het CDA zich nu lijkt toe te leggen op het ‘Rijnlandse model’, dat een directe afstammeling is van het neoliberalisme van het interbellum. Na de scheuring in de Mont Pelerin Society kreeg het neoliberalisme een geheel andere invulling omdat meer laissez-faire georiënteerde economen, die voornamelijk uit de Angelsaksische wereld afkomstig waren, ermee aan de haal gingen.

Hun wereldbeeld werd bepaald door de grote trauma’s en ideologieën van de twintigste eeuw: twee wereldoorlogen, de Grote Depressie van de jaren dertig, het falen van het liberalisme en de opkomst van het nazisme en het communisme hebben allen diepe sporen nagelaten in het gedachtegoed van Hayek, Von Mises,  Friedman en vele van hun geestverwanten. Zij werden vervolgens gevangenen van het weinig genuanceerde narratief van de Koude Oorlog dat verhaalde over een strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’, ‘vrijheid’ tegen ‘onvrijheid’ waarbij geen plaats was voor grijstinten. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat lieden als Friedman zich zonder veel scrupules inlieten met lieden als Pinochet: een klassiek geval waar het doel de middelen heiligde. Hier lag de kiem van het pejoratieve gebruik van de term neoliberalisme: de betrokkenheid van de Chicago Boys bij de dictaturen in Latijns-Amerika ging hand in hand met terreur en repressie, iets dat nog steeds een belangrijke rol speelt in het collectieve geheugen van de bevolking van o.a. Chili, Argentinië en Brazilië.

bastiat-welfarismDe Franse econoom Frédéric Bastiat (1801-1850) was een van de grondleggers van het economisch liberalisme en vatte de kern van de overtuigingen van Friedman c.s. beknopt samen.

De nadruk op vrije marktwerking in het publieke domein is wellicht de belangrijkste erfenis van de ‘neoliberale’ omwenteling die zich in de jaren tachtig voltrok. Door de ‘Keynesiaanse val’ zoals Galbraith het stelde, kan er echter niet gesproken worden van een economische ordening die als laissez-faire bestempeld kan worden. De Nederlandse overheid bijvoorbeeld heeft op halfslachtige wijze geprobeerd marktwerking te introduceren in het publieke domein terwijl zij delen van de verzorgingsstaat in tact liet. Het resultaat is een keur aan (semipublieke) kartels, precies waar de neoliberalen uit het interbellum voor gewaarschuwd hadden. De telecomsector, de energiesector, woningcorporaties, het openbaar vervoer en de markt voor zorgverzekeraars worden gedomineerd door een handjevol grote spelers die in sommige gevallen uitgebreide bemoeienis van de overheid moeten dulden en in andere gevallen veel vrijheid genieten.

Het neoliberalisme mag dan vanwege de onduidelijke inhoud van het begrip ongrijpbaar zijn, er is wel sprake van een overkoepelend thema: vrijheid in de breedste zin van het woord. Vrijheid is echter, zoals Isaiah Berlin al aanstipte, een poreus begrip. Dit was de primaire motivatie voor een sterke overheid die zich opstelde als maatschappelijk voogd: verschillen in rijkdom en macht tussen individuen en instituties maken dat vrijheid niet eendimensionaal opgevat kan worden. Doen overheden dit wel, dan zullen deze verschillen in rijkdom en macht zich op pijnlijke wijze manifesteren waarbij de blauwe boorden en de middenklasse het moeten afleggen tegen machtige politieke en economische elites. Vrijheid van de een heeft andere maatschappelijke consequenties dan vrijheid van de ander en het is deze spanning die volledig uit het oog verloren is de afgelopen dertig jaar.

De weg die destijds is ingeslagen bewandelen wij nog steeds, ondanks de zwaarste economische en financiële crisis sinds de jaren dertig die vrijwel volledig toegeschreven kan worden aan de ‘bevrijding’ van de (financiële) markten. Het is geen toeval dat in de Troonrede van 2013 gesproken werd van een participatiemaatschappij: idealen van zelfredzaamheid, individuele vrijheid en een nachtwakersstaat resoneren in dit begrip. De verzorgingsstaat, de grootste triomf van de sociaaldemocraten in de tweede helft van de twintigste eeuw, is nu openlijk afgeschreven door een kabinet waarin – ironisch genoeg – zowel liberalen als sociaaldemocraten zitting hebben.

Dit idee van een participatiemaatschappij in een tijd waarin de tekortkomingen van de markt evident zijn, is illustratief voor het oorverdovende zwijgen van politici over de systeemcrisis die wij door maken. Deze ideeënarmoede is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan het feit dat de huidige generatie politici het neoliberale dogma dat de overheid niet te vertrouwen is en dat markten veel taken beter kunnen uitvoeren dan de overheid, geïnternaliseerd hebben. Er zijn twee belangrijke indicaties dat er niets veranderd is: er wordt fors bezuinigd tijdens een recessie, een recept dat rechtstreeks uit het neoliberale handboek komt. De geschiedenis leert ons dat dit slechts averechts zal werken, iets wat Rutte en Samson inmiddels ook ondervinden en in Zuid-Europa tot toenemende maatschappelijke onrust leidt. De tweede indicatie is dat het thema duurzaamheid volledig naar de achtergrond is verdwenen, terwijl zich op dit terrein de belangrijkste problemen voor zullen doen deze eeuw. Er wordt nog steeds vertrouwd op de markt in de overtuiging dat de overheid geen grotere rol mág spelen, terwijl de markt vanwege haar aard ontoereikend is om oplossingen aan te dragen voor lange termijnproblemen van deze omvang. Sterke nationale en supranationale overheden die zich om meer bekommeren dan het waarborgen van marktwerking en individuele vrijheden zijn daarom niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk.

______________________________________________________________________________________

Voor dit drieluik werd gebruik gemaakt van de volgende literatuur:

  1. Taylor C. Boas, Jordan Gans-Morse, ‘Neoliberalism. From new liberal philosophy to anti-liberal slogan’ (februari 2009).
  2. Isaiah Berlin, Twee opvattingen van vrijheid (Amsterdam 2010).
  3. Milton Friedman, Capitalism and freedom. 40th anniversary edition (Chicago 2002).
  4. John Kenneth Galbraith – A history of economics. The past as the present (Londen 1987).
  5. Edwin van de Haar, ‘Het neoliberale fantoom. De dwalingen van de anti-neoliberalen’, De Groene Amsterdammer 136, nr. 7 (15 februari 2012).
  6. Oliver Marc Hartwich, ‘Neoliberalism: the genesis of a political swearword’, CIS occasional paper 114 (mei 2009).
  7. Tony Judt – Postwar. A history of Europe since 1945 (New York 2005).
  8. Tony Judt – Ill fares the land (New York 2010).
  9. Tony Judt – Reapraissals. Reflections on the forgotten 20th century (New York 2008).
  10. Naomi Klein – The shock doctrine. The rise of disaster capitalism (New York 2007).
  11. Gerrit Meijer – Neoliberalisme. Neoliberalen over economische orde en economische theorie (Assen/Maastricht 1988).
  12. David Priestland, Merchant, soldier, sage. A new history of power (New York 2012).
  13. Rachel S. Turner – Neo-liberal ideology. History, concepts and policies (Norfolk 2008).

De ongrijpbaarheid van het neoliberalisme deel II: donkere jaren in de marge

Keynes en HayekIn het eerste deel van dit artikel heb ik uiteengezet onder welke omstandigheden het neoliberalisme tijdens het interbellum het levenslicht zag. Het belangrijkste ijkpunt van het vooroorlogse neoliberalisme was het behoud van de vrijheden die een centrale rol speelden in de klassieke liberale overtuigingen. Het ideologisch tumult dat veroorzaakt werd door de opkomst van het communisme, fascisme en de evidente tekortkomingen van het economisch liberalisme maakten een herwaardering van de liberale idealen noodzakelijk. De neoliberalen hielden een krachtig pleidooi voor hun politieke idealen terwijl zij de economische principes van het liberalisme op een nieuwe leest schoeiden. De belangrijkste aanpassing van het liberale gedachtegoed was dat de staat, die traditioneel een zeer bescheiden taak kreeg toebedeeld, meer bevoegdheden kreeg om het economisch verkeer te reguleren.

De triomf van Keynes

De discussie over de merites van een laissez-faire economisch systeem werd na de Tweede Wereldoorlog beslecht. Er heerste een brede consensus over de recente gevolgen van dit systeem: wijdverbreide armoede, sociale onrust en in Europa de opkomst van Hitler. Daarmee was niet gezegd dat het liberalisme altijd gelijksoortige gevolgen zou hebben. De economische vrijheid die aan de basis lag van het economisch liberalisme was een groot goed, maar had ook een hoeder nodig in de vorm van de staat. De Britse econoom John Maynard Keynes had net als de Duitse neoliberalen voorgeschreven hoe de staat deze rol zou kunnen vervullen, hoewel zijn aanpak sterk afweek van de maatregelen die de neoliberalen voor ogen hadden. In tegenstelling tot de vooroorlogse neoliberalen, had Keynes het oor van de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt en werd hij tijdens de Tweede Wereldoorlog benoemd tot bestuurslid van de Bank of England, de Engelse centrale bank. Keynes bewoog zich in de hoogste bestuurlijke en sociale kringen en kreeg zo de gelegenheid om zijn ideeën aan te prijzen bij invloedrijke individuen. De neoliberalen bleven buiten het Duitse taalgebied grotendeels ongelezen en ongehoord. In Duitsland en Oostenrijk hadden zij te lijden onder het repressieve intellectuele klimaat van de nazi’s, waardoor het voor hen onmogelijk was hun ideeën bij een internationaal publiek aan de man te brengen. Het gevolg was dat veel westerse overheden na de oorlog Keynes’ beleidsvoorschriften overnamen en de ideeën van de neoliberalen buiten het Duitse taalgebied vrijwel onbekend bleven.

De naoorlogse sociaaleconomische consensus rustte op drie pijlers. De eerste was een Keynesiaans anticyclisch begrotingsbeleid, waarbij de overheid consumptie en investeringen aanmoedigde in tijden van recessie door extra overheidsuitgaven te doen. De tweede was het optuigen van een verzorgingsstaat waardoor niemand tot armoede veroordeeld hoefde te worden als hij of zij oud, ziek of werkloos was. De derde was een uitgebreid netwerk van internationale instituties, zoals het monetaire systeem van Bretton Woods, de Verenigde Naties, vrijhandelsverdragen en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De resultaten waren spectaculair: in de westerse wereld schommelde de economische groei in de periode 1950-1970 tussen de drie en vijf procent per jaar. In bijna alle westerse landen werd na de oorlog in meer of mindere mate een verzorgingsstaat opgebouwd. De ongekende economische groei, de beperkte hevigheid van recessies en de wijdverbreide welvaart leken het gelijk van Keynes te bevestigen.

In het naoorlogse Duitsland kregen de Duitse neoliberalen wel de kans om invloed uit te oefenen op het sociaaleconomische beleid en neoliberale ideeën in de praktijk te brengen. De Duitse econoom en socioloog Ludwig Erhard, een overtuigd neoliberaal, kreeg na de eerste vrije verkiezingen in de Bondsrepubliek Duitsland in 1949 de post van minister van economisch zaken toebedeeld in de regering van Konrad Adenauer. Erhard bekleedde deze post vervolgens veertien jaar, waarna hij in 1963 Bondskanselier werd. Toeval of niet, in deze periode voltrok zich het Duitse Wirtschaftswunder en werd de Bondsrepubliek een van de meest welvarende landen van Europa. Erhard werkte nauw samen met andere Duitstalige neoliberalen zoals Wilhelm Röpke en in eerste instantie ook de Oostenrijks-Britse econoom Friedrich Hayek. De West-Duitse economische ordening was tot begin jaren zestig voor een belangrijk deel op neoliberale leest geschoeid, maar de neoliberale ideeën die het beleid in de jaren vijftig bepaald hadden, moesten het uiteindelijk afleggen tegen een meer Keynesiaans georiënteerd beleid. De verzorgingsstaat, die in het neoliberale gedachtegoed slechts in beperkte mate een rol speelde, had grote electorale aantrekkingskracht. West-Duitse politici waren daardoor geneigd een voortdurend uitdijend pakket aan sociale wetgeving te realiseren.

De neoliberale scheuring

In de tussentijd was het in de neoliberale beweging tot een schisma gekomen tussen de meer gematigde Europese neoliberalen en de radicalere Angelsaksische neoliberalen. Friedrich Hayek had in 1947 samen met onder de Amerikaanse econoom Milton Friedman en de Oostenrijks-Amerikaanse econoom Ludwig von Mises de Mont Pelerin Society opgericht. Zowel Hayek als Von Mises waren betrokken bij het oorspronkelijke neoliberale project, maar hadden het vaste land van Europa in de jaren dertig verlaten en waren uitgeweken naar respectievelijk Groot-Brittannië en de V.S. In deze landen kwamen zij in aanraking met meer laissez-faire georiënteerde geestverwanten dan op het Europese vaste land het geval was geweest.

friedrichVonHayekPelerin1

De eerste bijeenkomst van de Mont Pelerin Society in 1947. Friedrich Hayek staat links op de foto.

De Mont Pelerin Society was een neoliberale denktank die werd bevolkt door voornamelijk Duitse, Britse en Amerikaanse academici, waaronder Erhard en neoliberalen van het eerste uur zoals Alexander Rüstow en Wilhelm Röpke. Het doel van de denktank was om de klassieke liberale waarden te verdedigen tegen “state ascendancy and Marxist or Keynesian planning sweeping the globe”. De naam van de denktank was ontleend aan het dorpje in Zwitserland waar de eerste bijeenkomst werd gehouden. Men had het daar niet eens kunnen worden over een meer toepasselijke en op de aard van de materie toegespitste benaming.

De neoliberalen van de Mont Pelerin Society hadden goed aangevoeld dat Keynesiaans beleid een onweerstaanbare aantrekkingskracht had op westerse regeringsleiders en hun electoraat. Het vooruitzicht van een economische ordening waarbinnen behoeftigheid door armoede, ziekte en ouderdom verzacht of voorkomen zou worden door de staat, bleek electoraal uitermate populair. De sociaaleconomische ellende van de Grote Depressie en (in Europa) de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog lag velen nog vers in het geheugen. Direct en systematisch overheidsingrijpen in het economisch verkeer leek daarom wenselijk.

Dit was de neoliberalen die zich in de Angelsaksische wereld bevonden een gruwel. Vrijheid van meningsuiting, godsdienst, pers en vereniging konden volgens hen onder druk komen te staan als de overheid zich zou gaan mengen in het economisch verkeer. Daarmee zou niet alleen het liberale ideaal van een zo vrij mogelijk economisch verkeer onder druk komen te staan: de politieke liberale idealen werden hiermee ook te grabbel gegooid.

De Europese neoliberalen hadden grote moeite met de kritiek van hun Angelsaksische collega’s. De visie van deze laatste groep behelsde de facto een herintroductie van het laissez-faire liberalisme. Dit was een revolte binnen de eigen gelederen: het neoliberale programma was in het interbellum geformuleerd als reactie op de problemen die het laissez-faire liberalisme had opgeleverd. De vooroorlogse neoliberalen hadden zich om deze reden tot de staat gewend: de markt was als autonoom mechanisme niet in staat om voor maatschappelijke en economische stabiliteit te zorgen. Ongebreidelde marktwerking leidde volgens hen tot kartelvorming en maatschappelijk destabiliserende sociaaleconomische ongelijkheid.

In dit licht is het niet verwonderlijk dat het in 1961 tot een scheuring kwam in de neoliberale beweging. Rüstow, Röpke en andere neoliberalen konden zich niet langer verenigen met de ‘oude liberalen’ zoals hun de Angelsaksische collega’s noemden. De ervaringen die Rüstow c.s. hadden opgedaan in het Derde Rijk, hadden hen ervan overtuigd dat zij zich als economen niet alleen moesten bekommeren om de strijd tegen het communisme en Keynesianisme. Zij vonden dat zij als mens de verplichting hadden om meer duurzame waarden te bepleiten naast het in de Mont Pelerin Society dominante vrijheidsideaal. Gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit waren volgens hen minstens even belangrijke waarden als vrijheid, waarbij het bovendien zo was dat vrijheid soms ondergeschikt gemaakt moest worden aan een van deze waarden als dit de maatschappelijke stabiliteit ten goede zou komen. De Angelsaksische neoliberalen kregen na het schisma de overhand in de Mont Pelerin Society. Zij werden verenigd door een sterke aversie tegen de staat.

Dwang en de staat

De nazi’s hadden de middelen van de moderne staat ingezet om een genocide van ongekende omvang te voltrekken. Het was niet ondenkbaar dat dit nog eens zou gebeuren en de meest waarschijnlijke protagonist van dergelijke gruweldaden was de Sovjet-Unie. Met de bezetting van Oost-Europa na de Tweede Wereldoorlog hadden de Sovjets hun imperialistische ambities verraden. De door hen bevrijdde landen in Oost-Europa werden behandeld als vazalstaten. De wereld was daarmee verdeeld in twee ideologische kampen en het was onzeker of het vrije westen de strijd met de Sovjet-Unie zou winnen. In de ogen van de neoliberalen was het totalitaire communisme de belichaming van alles dat in strijd was met de liberale waarden. De staat bleek een ideaal vehikel om de vrijheid van burgers te beknotten en hen aan dwang te onderwerpen. De notie dat de overheidsinmenging die door het Keynesianisme voorgeschreven werd, uiteindelijk zou ontaarden in dezelfde totalitaire barbarij die in het communistische blok aan de orde van de dag was, was volgens de neoliberalen niet uit de lucht gegrepen. Het was daarom van groot belang dat men het communisme te vuur en te zwaard zou bestrijden. De communistische staten met hun planeconomieën waren illustratief voor de manier waarop ingrijpen in de economische ordening verstrekkende gevolgen kon hebben voor de vrijheden van burgers.

Om hun pleidooi voor minimale overheidsinmenging kracht bij te zetten, formuleerden de leden van de Mont Pelerin Society een opvatting van vrijheid die staatsinterventie verdacht maakte. Ze maakten daarbij dankbaar gebruik van de ideologische polarisatie die kenmerkend was voor de Koude Oorlog: vrijheid was per definitie iets nastrevenswaardigs, terwijl vrijheidsbeperkende overheidsmaatregelen (zelfs als dit niet de intentie was van dergelijke maatregelen) verdacht waren omdat dit al snel neigde naar verfoeilijk socialisme/communisme. Het resultaat was een huwelijk tussen economische en politieke vrijheid dat vooral bedoeld om aan te tonen dat een sterke interveniërende staat een bedreiging was voor individuele vrijheden. De Russisch-Britse filosoof Isaiah Berlin zette in zijn Two concepts of liberty uit 1958 uiteen wat het verschil tussen economische en politieke vrijheid was (Berlin was overigens niet gelieerd aan de neoliberale beweging of de Mont Pelerin Society).

Een individu is in politieke zin vrij, aldus Berlin, als hij of zij handelend kan optreden zonder daarbij gehinderd te worden door derden. In zoverre anderen de handelingsvrijheid van een individu belemmeren, is er sprake van onvrijheid; als deze belemmeringen vrijwel iedere potentiële handeling van een individu belemmeren, spreken wij van dwang. Daarmee is niet gezegd dat iedere belemmering ook dwang is: het feit dat ik filosofische werken van Martin Heidegger niet kan doorgronden, is geen vorm van dwang zoals deze begrepen wordt als het om politieke vrijheid gaat. Dwang impliceert de doelbewuste tussenkomst van derden om mijn handelen te belemmeren waar deze handelingen zonder hun tussenkomst wel mogelijk zouden zijn geweest.

Zodra een individu te arm is om zich iets te veroorloven dat vrij te verwerven is, spreken wij van economische onvrijheid. Een persoon is op dat moment even onvrij om iets te verkrijgen als wanneer het bij wet verboden zou zijn. Als dit onvermogen een soort ziekte zou zijn, kunnen wij niet spreken van onvrijheid in economische zin. Maar als het zo is dat deze armoede en het onvermogen om vrij verkrijgbare goederen te verwerven het resultaat zijn van een maatschappelijke stand van zaken die door anderen gecreëerd is, kan er wel gesproken worden van onvrijheid en zelfs van dwang als deze toestand gecreëerd is met de intentie om mij en anderen te verhinderen mijn economische vrijheid te benutten.

De neoliberalen creëerden een versmelting van beide vormen van vrijheid door te poneren dat economische vrijheid de basisvoorwaarde is voor politieke vrijheid. De staat mengde zich doelbewust in het economisch verkeer door beperkingen op te leggen (regulering) of zich monopolies toe te eigenen. Dit belemmerde ook de politieke vrijheid, omdat de handelingsvrijheid van individuen ingeperkt werd door deze overheidsmaatregelen. Volgens de neoliberalen liep men met het systematische overheidsingrijpen dat door Keynesiaans beleid voorgeschreven werd, het risico een maatschappelijke toestand te scheppen waarin individuen hun economische en politieke vrijheid niet konden benutten. Volgens hen was een grote mate van economische vrijheid een noodzakelijke voorwaarde om überhaupt van politieke vrijheid te kunnen spreken.

Een recent voorbeeld van de samenhang tussen economische en politieke vrijheid is de verplichte ziektekostenverzekering (Obamacare) die op 1 oktober 2013 door toedoen van de Republikeinen in de V.S. tot een sluiting van niet-essentiële overheidsdiensten leidde (zij weigerden de jaarlijkse begroting goed te keuren omdat de Democraten geen concessies wilden doen bij de invoering van de nieuwe zorgverzekeringswet). De kern van dit dispuut is gelegen in de stelling dat a.) een verplichte verzekering een inperking is van de economische vrijheid, de overheid verplicht immers burgers private middelen te gebruiken die zij, als zij de keuze zouden hebben, op een andere manier zouden kunnen inzetten en b.) de overheid daarmee de politieke vrijheid ook aantast, aangezien zij de mogelijkheid om ervoor te kiezen om geen zorgverzekering af te sluiten strafbaar stelt. Hiermee is doelbewust een situatie gecreëerd waarin sommige vrij verkrijgbare goederen wellicht niet meer te verwerven zijn voor burgers (het geld voor de ziektekostenverzekering kan immers maar een keer uitgegeven worden) en bovendien is er sprake van een verbod op het niet afsluiten van een zorgverzekering, waardoor er sprake is van dwang. De overheid kon de economische vrijheid door de aard van haar wezen nooit garanderen. De markt daarentegen was als onpartijdig en onzichtbaar mechanisme uitermate geschikt om beide vrijheden te waarborgen: een markt gestuurd zorgstelsel zou beide opties (wel of niet verzekeren) open laten zonder dat hier sancties aan verbonden zijn.

Zoals in het eerste deel van dit artikel bleek, waren ook de vooroorlogse neoliberalen van mening dat economische en politieke vrijheid hand in hand gingen. Zij verbonden hier echter andere consequenties aan: de staat en de markt kunnen beide deze vrijheden aantasten en moeten daarom beide met argwaan tegemoet getreden worden. De naoorlogse neoliberalen, Friedrich Hayek en Milton Friedman in het bijzonder, richtten zich echter vooral tegen de overheid, hoewel zij onderschreven dat kartels en monopolies schadelijke maatschappelijke gevolgen konden hebben. Maar deze constatering werd al snel tegen de overheid gebruikt: als monopolie- en kartelvorming door marktpartijen onwenselijk is, waarom zou men dan moeten toestaan dat de staat monopolies onderhoudt op bijvoorbeeld de posterijen, de energievoorziening en het onderwijs?

Voor de neoliberalen was er maar een manier om een gezond economisch systeem te handhaven en dat was een marginale rol voor de overheid en zo min mogelijk regelgeving. De markt neigde volgens hen van nature naar een optimaal evenwicht en garandeerde daardoor de vrijheden die de neoliberalen zo fel verdedigden. Zij hielden in feite een pleidooi voor een radicalere vorm van laissez-faire dan voor de Grote Depressie van de jaren dertig de praktijk was geweest. Friedman had meerdere malen betoogd dat publieke voorzieningen net zo goed geprivatiseerd zouden kunnen worden, niet alleen om kosten te besparen, maar ook omdat de kwaliteit van deze voorzieningen zou verbeteren door marktprikkels.

Licht aan de horizon?

Harper_Midway_Chicago

De Universiteit van Chicago, waar het curriculum voor studenten economie grotendeels door Hayek en Friedman bepaald werd.

Het neoliberale marktdenken werd tot in de jaren zeventig nergens ter wereld in praktijk gebracht en de neoliberalen waren veroordeeld tot de marges van de economische wetenschap. Tot dat moment waren hun ideeën slechts aan het papier toevertrouwd en onderwezen aan enkele universiteiten, hoewel Friedman vanaf 1969 President Richard Nixon adviseerde, maar die deed doorgaans precies het tegenovergestelde van wat Friedman verstandig achtte. Zowel Hayek als Friedman hadden zich aan de Universiteit van Chicago toegelegd op de uitwerking van hun economische en sociaalpolitieke ideeën. Zij hadden een zeer invloedrijke positie binnen de Chicago School of Economics, waar het curriculum grotendeels bepaald werd door hun gedachtegoed. Aan de prestigieuze Ivy League universiteiten in de V.S. werden de ideeën van Hayek en Friedman niet onderwezen omdat het Keynesianisme domineerde. Afgezien van enkele enclaves, waarvan de London School of Economics de bekendste was, was er in Europese universitaire wereld sprake van eenzelfde situatie. Keynesiaans beleid had geleid tot een enorme welvaartsgroei waardoor er geen enkele wetenschappelijke of electorale steun was voor grote veranderingen in de manier waarop westerse overheden hun economische ordening vorm gaven.

Het neoliberale gedachtegoed verspreidde zich in de jaren zeventig niettemin in Latijns-Amerika, een onwaarschijnlijk oord voor dergelijke ideeën als men bedenkt dat het marxisme veel meer populariteit genoot onder de door armoede geplaagde bevolking aldaar. De introductie van neoliberaal beleid ging dan ook niet zonder slag of stoot: pas na een bloedige staatsgreep in 1973 in Chili kregen de neoliberalen voor het eerst de mogelijkheid hun ideeën in praktijk te brengen.

In het volgende en laatste deel van dit artikel zal uiteen gezet worden hoe de term ‘neoliberaal’ een scheldwoord werd doordat Friedman c.s. advies gaven aan het moorddadige regime van de Chileense dictator Augusto Pinochet. De resultaten van het Chileense economische experiment waren wisselend. Dit weerhield westerse regeringsleiders er niet van om een groot deel van de ideologische lading van het gedachtegoed van Friedman en zijn geestverwanten te verweven in het overheidsbeleid, terwijl zij gelijktijdig rekenschap moesten afleggen aan het feit dat kiezers de verzorgingsstaat wensten te handhaven.

De ongrijpbaarheid van het neoliberalisme. Deel I: oorsprong

tweede_kamerWie is er neoliberaal? Stel deze vraag in een volle Tweede Kamer en niemand zal de hand op steken. Sommigen zullen beschuldigend naar hun collega’s wijzen; een neoliberaal is iemand met een gebrekkige integriteit en geen zinnig mens zal zichzelf als zodanig willen profileren. Het neoliberalisme kampt derhalve met een imagoprobleem. Dat is vreemd, want niemand lijkt te weten wat het begrip inhoudt. De negatieve associaties die het gebruik van de term oproept, is in het licht van de oorspronkelijke formulering van het neoliberalisme nog veel vreemder, omdat het een humanistische inslag had en streefde naar een gematigd economisch liberalisme met een beperkte inmenging van de overheid en een bescheiden verzorgingsstaat. In deze en de daarop volgende twee posts zal een poging ondernomen worden om de oorsprong van het neoliberalisme te traceren en de opmerkelijke begripsvervaging waaraan het onderhevig is geweest te duiden. In dit artikel zullen de intellectuele en historische omstandigheden waarin het neoliberalisme het levenslicht zag, behandeld worden.

Inleiding

Het bestaan van het neoliberalisme wordt tegenwoordig soms botweg ontkend, vaak door mensen die er op negatieve wijze mee geassocieerd worden. Dat is niet verwonderlijk, want de term wordt te pas en te onpas gebruikt als stok om conservatieve en liberale politici mee te slaan.1 De politicoloog Edwin van de Haar en voormalig VVD fractieleider Frits Bolkestein hebben zich daarom in het kamp geschaard dat het bestaan van het neoliberalisme met nauwelijks verholen irritatie ontkend.2 Dit is een begrijpelijke manoeuvre, maar het laat onverlet dat ‘het neoliberalisme’ als begrip ingang heeft gevonden in het politieke en publieke debat. Commentatoren zoals de voormalige Groningse hoogleraar journalistiek Marc Chavannes houden neoliberaal beleid verantwoordelijk voor problemen in het onderwijs, de zorg, bij woningcorporaties, het openbaar vervoer en bij overheden in het algemeen.3

De irritatie die het etiket ‘neoliberaal’ opwekt en de agitatie tegen beleid dat als neoliberaal gekenmerkt wordt, maken het concept een interessant onderwerp voor historische duiding. Waar spreken wij over als we het over het neoliberalisme hebben? Hoe kan het dat men er enerzijds niet mee geassocieerd wenst te worden en daarom het bestaan ervan ontkent, terwijl anderzijds verondersteld wordt dat het neoliberalisme bestaat en veel negatieve gevolgen heeft voor onze samenleving? En waarom zijn het juist traditionele liberalen die zich er van afkeren?

Ondanks de stellige ontkenning van het bestaan van het neoliberalisme door Bolkestein en de zijnen, is er wel degelijk sprake van een verzameling van ideeën over economische ordening, sociaalpolitieke uitgangspunten en politiek-filosofische zienswijzen die als neoliberaal gekenmerkt kunnen worden. Deze ideeën hebben diepere historische wortels dan doorgaans verondersteld wordt en vinden hun oorsprong in de crisis waarin het liberalisme zich vlak na de Eerste Wereldoorlog en tijdens het interbellum bevond.

De Duitse wortels van het neoliberalisme

Capitalism and it's alternativesHoewel het failliet van het laissez-faire kapitalisme rond 1930 door velen luidkeels werd afgekondigd, waren de alternatieven nog veel onaantrekkelijker. De neoliberalen onderschreven dit en wilden daarom een gematigder kapitalistisch systeem met als kern individuele vrijheid.

Als intellectuele stroming was het neoliberalisme in eerste instantie een ongeordende verzameling ideeën die in de jaren twintig en dertig geformuleerd werden door onder andere de Duitse economen Alexander Rüstow (1885 – 1963) en Wilhelm Röpke (1899 – 1966) en de Oostenrijkse economen Ludwig von Mises (1881-1973) en Friedrich Hayek (1899 – 1992). De rol van Von Mises en Hayek zal in deel twee van dit artikel behandeld worden. Ondanks de eensgezindheid waarmee Rüstow, Röpke, Von Mises, Hayek en anderen het liberalisme van haar ondergang wilden redden, kwam het na de Tweede Wereldoorlog tot een schisma in de neoliberale beweging waarbij er een kamp Von Mises-Hayek en een kamp Rüstow ontstond. De hoofdrol werd in eerste instantie gespeeld door de Duitse economen die hierboven genoemd zijn. Dit was niet zonder reden: zij woonden na de Eerste Wereldoorlog in een vernederd Duitsland waarvan de politieke toekomst hoogst onzeker was.

De geallieerden verplichtten Duitsland met het Verdrag van Versailles tot het afdragen van enorme herstelbetalingen aan de overwinnaars. Deze last drukte zwaar op de Duitse schatkist, die door oorlogsschulden nagenoeg leeg was. De symbolische waarde van het Verdrag van Versailles was minstens even belangrijk als de last van de opgelegde herstelbetalingen: de Duitse natie was vernederd en werd nu geknecht door de Fransen en de Britten. Het keizerlijk regime dat verantwoordelijk was voor de nederlaag, was vlak voor het einde van de oorlog uit eigen beweging van het toneel verdwenen. In deze instabiele situatie probeerden zowel linkse als rechtse radicalen de macht te grijpen. Het meest beruchte voorbeeld is de mislukte Bierkellerputsch van Adolf Hitler in 1923 in München, waarmee hij probeerde de Duitse deelstaat Beieren op fascistische leest te schoeien.

Toen Duitsland in 1923 naar het oordeel van de geallieerden niet aan haar herstelbetalingsverplichtingen kon voldoen, bezetten de Fransen en de Belgen het Ruhrgebied. In heel Duitsland braken stakingen uit. De Duitse regering besloot de lonen van de stakende arbeiders te blijven betalen en zette daartoe de geldpers aan. Dit leidde naast de enorme staatsschuld tot hyperinflatie. De Reichsmark werd waardeloos, spaartegoeden gingen in rook op en schuldeisers werden betaald met waardeloze bankbiljetten. De Duitse middenklasse werd hierdoor in financiële zin weggevaagd. De Duitse economie stortte volledig in. De geallieerden (voornamelijk de V.S.) voorzagen in een noodplan van kredieten, reductie van de totale som van de herstelbetalingen en een revaluatie van de Duitse munteenheid. De genadeklap kwam, na een economische opleving en relatieve maatschappelijke stabiliteit tussen 1924 en 1929, met de beurskrach van 1929. De politieke en maatschappelijke onrust die nog steeds smeulde, flakkerde in alle hevigheid op. Hitler wist zich door deze onrust in het centrum van de macht te manoeuvreren.

Het falen van het liberalisme en de democratie in Duitsland baarde de eerste neoliberalen grote zorgen. In hun ogen waren de gebreken van het laissez-faire economisch liberalisme grotendeels debet aan de economische chaos waarin Duitsland en de wereld zich vanaf eind 1929 bevonden. De opkomst van lieden als Hitler en ook de populariteit van het communisme, waren een bedreiging voor die elementen van het liberalisme – met name individuele vrijheid – die het behouden waard waren.

De neoliberalen onderkenden dat het laissez-faire liberalisme onhoudbaar was. De politieke uitgangspunten van het liberalisme moesten volgens hen worden behouden, omdat van de alternatieven, het fascisme en het communisme, niets goeds te verwachten viel. Zij wilden daarom de economische doctrines van het liberalisme op een moderne leest schoeien om het politieke liberalisme te redden van haar ondergang. Een centrale veronderstelling voor alle neoliberalen was dat politieke vrijheid en economische vrijheid een en ondeelbaar waren. Zodra een van beide ingeperkt wordt, heeft dat gevolgen voor de andere vorm van vrijheid. Grote sociaaleconomische ongelijkheid en de bijbehorende concentratie van macht in private handen was daarom onwenselijk, evenals de almacht van de (communistische of fascistische) staat. De neoliberalen van het interbellum zochten naar een gulden middenweg die de grillen van een volledig vrije markteconomie kon omzeilen, een almachtige staat vermeed, individuele vrijheid waarborgde en een redelijk gelijkmatige verdeling van welvaart garandeerde.

Het neoliberale programma

Een groot structureel probleem van de Duitse economische ordening was dat er sprake was van een innige verstrengeling van de bestuurlijke elite, het ambtelijk apparaat en het bedrijfsleven. Het gevolg hiervan was dat er in Duitsland vele kartels en monopolies bestonden die van staatswege geïnitieerd waren. De kartels hielden de prijzen kunstmatig hoog en maakten daarmee inbreuk op de economische vrijheid van burgers (een goed hedendaags voorbeeld is kartelvorming onder de grote bierbrouwers waardoor cafégangers al jarenlang te veel betalen voor het gerstenat). Dit werd door de neoliberalen gezien als een vorm van diefstal: de macht van de kartels dwong burgers ertoe hogere prijzen voor goederen en diensten te betalen dan in een optimaal functionerende markt het geval zou zijn geweest. De markt kon niet functioneren omdat kleinere bedrijven uit de markt verdrongen werden en er sprake was van een grote concentratie van macht.

Er bestond in de ogen van de neoliberalen een innige relatie tussen de ordening van de economie en de aard en omvang van de overheid. De mate waarin een economie gefundeerd werd op het prijsmechanisme bepaalde de omvang en macht van de overheid. Daarbij bestond volgens de neoliberalen een rechtstreeks verband met de economische en politieke vrijheid die burgers genoten: zodra de overheid zich manifesteerde als partij in de markt verwierf zij invloed op het leven van burgers. De samenwerking tussen marktpartijen en de overheid, waarbij de overheid de facto kartels legaliseerde, was een voorbeeld van de manier waarop overheden de markt op negatieve wijze beïnvloedden. Een te vrije markt zou uiteindelijk aan zichzelf ten onder gaan door kartels, monopolies en crises. Een te sterke overheid zou de markt wurgen en te veel macht usurperen. Het samenspel tussen de destructieve neigingen van de overheid en de markt in Duitsland bracht in dit opzicht het slechtste van twee werelden bij elkaar.

De neoliberalen formuleerden daarom een agenda die uitging van deze relatie en probeerden de taken van de overheid en de markt strikt te scheiden. Er moest sprake zijn van een wisselwerking tussen markt en staat, waarbij beide elkaars tegenmacht vormden. Zij bezetten nadrukkelijk twee verschillende domeinen en hadden binnen die domeinen geheel eigen taken die hun tegenpool niet of slecht kon vervullen. De overheid diende daarom alle publieke voorzieningen voor haar rekening te nemen, terwijl op de markt alle transacties die buiten dit domein vielen, plaats moesten vinden. De overheid moest waar nodig ingrijpen als eerlijke mededingen in het gedrang kwam. Daarnaast diende de overheid het juridisch kader te bieden waarbinnen transacties op de markt plaats konden vinden. Grote industriële conglomeraties moesten worden opgebroken ten gunste van kleinere ondernemingen zodat het prijsmechanisme optimaal zou kunnen functioneren. De staat diende doormiddel van een progressief belastingsysteem te voorzien in een groot aantal publieke goederen zoals onderwijs, openbaar vervoer, landelijke posterijen en telecommunicatiediensten, energie- en watervoorzieningen en niet in de laatste plaats een sociaal vangnet. Het progressieve belastingsysteem en de publieke voorzieningen hadden als bijkomend voordeel dat sociaaleconomische ongelijkheid werd beperkt.

Op het eerste gezicht lijkt het neoliberalisme daarmee niet veel te verschillen van het Keynesianisme van na de Tweede Wereldoorlog. Er bestond echter een belangrijk verschil van inzicht over de aard van de taak van de staat. Volgens Keynes was overheidsingrijpen in de economie noodzakelijk als deze zich in een recessie of depressie bevond. In tegenstelling tot wat voor de Grote Depressie verondersteld werd, waren recessies en depressies geen fenomenen die vanzelf voorbij zouden gaan. De staat moest daarom de markt betreden en zich actief mengen in het economisch verkeer door bijvoorbeeld subsidies te verstrekken of bedrijven te nationaliseren.

De neoliberalen wezen deze vorm van overheidsinterventionisme principieel af. De staat was, ondanks haar uitgebreide takenpakket, ondergeschikt aan de markt. Zij faciliteerde de markt door een stevig juridisch fundament te bieden. De staat moest de markt reguleren, maar mocht zich verder niet als marktpartij manifesteren. Als de staat haar rol van arbiter en wetgever in het economisch verkeer goed zou vervullen, kon er geen sprake zijn van onevenwichtigheden in de markt en kon er ook geen sprake zijn van recessies en depressies. Er bestond dan ook geen noodzaak voor de overheid om te interveniëren op de markt.

Het neoliberalisme kwam bekend te staan als ‘De derde weg’ of de sociale markteconomie. Beide termen maakten in de jaren negentig van de twintigste eeuw opnieuw opgang maakte onder sociaaldemocratische partijen in Europa en de V.S. Het bleef in eerste instantie vooral een theoretische exercitie: de opkomst van Hitler – waarna veel neoliberalen uitweken naar Groot-Brittannië en de V.S. – en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verhinderden dat het neoliberale programma in praktijk gebracht kon worden. Na de Tweede Wereldoorlog hebben onder andere Duitsland en Oostenrijk neoliberale ideeën verweven in hun sociale en economische beleid, wat mede geleid heeft tot het Duitse Wirtschaftswunder in de jaren vijftig en zestig. In een groot deel van de westerse wereld had het Keynesianisme tot in de jaren zeventig echter de overhand. De wederopstanding van het neoliberalisme in de jaren tachtig was het gevolg van falend Keynesiaans beleid. Dit nieuwe neoliberalisme was een sterk verwaterde versie van het neoliberalisme van het interbellum, waarbij het vertrouwen in de overheid werd weggespoeld door de ideeën van Friedrich Hayek c.s.

Conclusie

Wie is er neoliberaal? In het licht van het voorgaande lijkt het geen schande om voor neoliberaal uitgemaakt te worden. Het vooroorlogse neoliberalisme was een genuanceerde poging om de verworvenheden van het klassieke liberalisme te redden uit de klauwen van de markt en de (totalitaire) staat. De onderkenning dat niet alleen de staat maar ook de markt een gevaar voor de samenleving was, staat in schril contrast tot wat tegenwoordig ‘het neoliberalisme’ genoemd wordt. Het vernieuwende van het neoliberalisme van het interbellum was dat de economische uitgangspunten van het liberalisme werden herzien. Net als Keynes hebben de neoliberalen geprobeerd een antwoord te vinden op de totale ineenstorting van het economisch systeem in de jaren dertig. Het was voor zowel de neoliberalen als Keynes evident dat de staat een grotere rol moest krijgen in het economisch verkeer. Dat de term neoliberalisme aan het einde van de twintigste eeuw is verworden tot een scheldwoord is grotendeels te danken aan het feit dat de economische uitgangspunten van het klassieke liberalisme gerehabiliteerd werden – mét bijbehorende sociaaleconomische problemen.


Voetnoten

[1] In Nederland is het vooral de Socialistische Partij die deze stok dankbaar hanteert. Zie bijvoorbeeld het boek van SP godfather en voormalig fractievoorzitter Jan Marijnissen, Tegen-stemmen. Een antwoord op het neoliberalisme (Amsterdam 2009).

[2] Edwin van de Haar, ‘Het neoliberale fantoom. De dwalingen van de anti-neoliberalen’, De Groene Amsterdammer 136, nr. 7 (15 februari 2012) en Frits Bolkestein, ‘De ware liberaal is een realist; De kern van het liberalisme is vrijheid binnen verantwoordelijkheid’, NRC Handelsblad, 17 maart 2009.

[3] Zie Chavannes’ column ‘Opklaringen’ in de weekendedities van NRC Handelsblad en de bundeling van enkele van deze columns in het boek Niemand regeert. De privatisering van de Nederlandse politiek uit 2009. Ook sociaaldemocraten laten zich niet onbetuigd, zie bijvoorbeeld de boeken van PvdA denker Paul Kalma, Links, rechts en de vooruitgang (Amsterdam 2004) en de Nederlandse historicus Maarten van Rossem, Kapitalisme zonder remmen (Amsterdam 2011).